Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liet observeeren en beoordeelen van den geest des tijds, zullen wij daarbij kunnen ontwaren, dat — tegenover de vrees van velen voor een eindelooze verdere specialiseering — in de thans bestaande overgangsperiode, langzaam doch gestadig invloeden werkzaam zijn, welke als het ware automatisch het bereiken van een gunstigeren eindtoestand in de hand werken.

De bezwaren, in het licht gesteld, gelden toch vooral de verwachting, dat met meerdere specialisatie de beoefenaars dier speciale vakken „vor lauter Baumen den Wald"' niet meer zien zouden, dat de noodzakelijk uit het specialisme voortspruitende eenzijdigheid, zoowel in wetenschappelijk als practisch opzicht, tot het stellen van onjuiste vragen zou voeren, terwijl anderzijds de lijdende menschheid allerminst gebaat zou worden door artsen, die door té uitsluitende belangstelling in één orgaan of orgaanstelsel de voeling zouden verloren hebben met hoogst gewichtige andere gebieden der geneeskunde. Dit belangrijke bezwaar wordt terecht telkens en telkens wederom gehoord. Anecdoten doen de ronde van tandartsen en keel-specialisten, die zoozeer in de zieken de zieke tanden en keelen beschouwen, dat hun eerst de naam en bijzonderheden van den lijder te binnen schieten, wanneer eerst des lijders gebit of keel ter waarneming komt, enz. Waar moet dit heen, zoo vraagt men zich af en schijnbaar niet zonder goede gronden.

Het komt mij nu voor, dat in de geschiedenis van het specialisme, de oorzaken zijn aan te wijzen van een dergelijke inderdaad voorkomende eenzijdigheid, doch aan den anderen kant ook kan ons die geschiedenis leeren, dat de specialisatie der geneeskundige wetenschap in zich zelf de omstandigheden schiep, welke, steeds werkzaam,

Sluiten