Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zonder in uitvoerige berekeningen en formules te vervallen is het niet wel doenbaar, hier de beteekenis dier uitwisseling verder na te gaan of de bewijzen aan te voeren, die de variëteitsbastaarden voor de juistheid dezer stellingen leveren. Ik moet dus daaromtrent naar meer uitvoerige werken verwijzen, maar meen toch in hoofdzaak het beginsel aangegeven te hebben, volgens hetwelk de natuur te werk gaat, om de groote voordeelen der individueele verscheidenheid door middel der geslachtelijke voortplanting zoo volledig mogelijk te verwezenlijken. Alleen wijs ik er hier ten overvloede nog eens op, dat deze voordeelen zich meer in de kleinkinderen doen gevoelen dan in de kinderen, en dus klaarblijkelijk bij een beperkte vermenigvuldiging nog meer in de achterkleinkinderen dan in de tweede generatie. Want eerst in een zeer groot aantal individuen kan de geheele mogelijke rykdom van vormen worden ontplooid.

Voor deze geheele beschouwing heb ik mij beperkt tot de constante variëteiten. Het wordt dus tyd ook de inconstante te bespreken. Daar zij zich echter, afgezien van die inconstantie zelve, en met name ten opzichte van de kruisingen en hare gevolgen, in hoofdzaak juist zoo gedragen als de constante, kan ik my tot eene korte schets beperken. Nergens in de natuur treedt ons de variabiliteit zoo rijk en zoo treffend voor oogen als op het gebied der bonte bladeren. Geldt algemeen de stelling, dat geen twee bladeren van een plant onderling geheel gelyk zyn, hier dringt z\] zich aan ons op. Van zuiver witte of zuiver gele tot de gewone groene bladeren zien wij alle overgangen en alle schakeeringen. In een bont blad liggen geel en groen in lagen boven elkander, en die van de onderen bovenzode passen geenszins altijd op de middelste weefsellaag. Vandaar tintverschillen en onscherpe grenzen. De onstandvastigheid is hier zóó groot, dat de liefhebber van planten haar gaarne voor typisch houdt. Andere voorbeelden geven de bloemen. Hier

Sluiten