Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verschillen tusschen de ouders behoeven volstrekt niet groot te zyn, om de bastaarden tot teere gewassen te maken, die alle zorgen der cultuur vereischen om dooide moeilijke tijden der ontkieming en de eerste ontwikkeling heen gebracht te worden. Eenmaal volwassen, zijn de bezwaren overwonnen, en de te zwakke te gronde gegaan, en vertoonen zich de overblijvende dus in de volle kracht van hun leven.

Maar die kracht houdt op, wanneer het er op aankomt zelf zaden voort te brengen. Zeer weinige soortsbastaarden gedragen zich daarbij even goed als gewone soorten. Nu eens is hun stuifmeel onvoldoende, dan weer laten de zaadknoppen te wenschen over, meestal valt op beide wat aan te merken. De stuifmeelkorrels vertoonen zich onder het microscoop loos, zonder inhoud en ten minste zonder kern. Niet altijd alle, maar dikwijls voor een grooter of een kleiner gedeelte. Zijn zij alle leeg, dan is er natuurlijk geen bevruchting, geen voortplanting van het bastaardras mogelijk; zijn zij tendeele onvolkomen ontwikkeld, zoo bestaat de kans op enkele, soms wat meer soms wat minder talrijke zaden. Evenzoo is het met de eicellen in de zaadknoppen gesteld. Voor een grooter of kleiner aantal mislukken zij, en verminderen daardoor de kans op bevruchting.

Wanneer wij niet reeds uit onze vroegere beschouwingen wisten, dat aan het ontstaan van stuifmeelkorrels en eicellen een uiterst samengesteld en fijngevoelig proces voorafgaat, dan zou deze groote kans op mislukking van eicellen en stuifmeel bij de bastaarden er ons met voldoende duidelijkheid op wijzen. En tevens zou zij ons leeren, dat het bij dat proces meer dan elders op de vraag aankomt, of de beide voorkernen op elkander passen of niet. Want de meest oppervlakkige vergelijking van de vruchtbaarheid der soortsbastaarden met die van gewone soorten leert ons, dat de ongelijkheid der beide voorkernen, of zoo men liever wil, der beide ouderlijke erfdeelen, de oorzaak der geringere vruchtbaarheid is.

Sluiten