Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men onderscheidt deze bepalingen in absolute en relatieve; bij de eerste, die de meeste voorzorgen vereischen, moet de lengte van den slinger met de uiterste nauwkeurigheid bekend zijn: zij doen de werkelijke grootte der zwaartekracht kennen. Bij de relatieve slingerwaarnemingen bezigt men minder samengestelde toestellen en behoeft de slingerlengte zelf niet bekend te zijn; de hoofdeisch is, dat de lengte van den slinger onveranderlijk is, ten minste voor zoover zij niet afhangt van de temperatuur, welker invloed in rekening kan worden gebracht. Door een dergelijk toestel op verschillende punten te laten slingeren en den slingertijd te bepalen, kan de verhouding van de grootte der zwaartekracht in die punten worden gevonden. Is er onder deze dus één punt, waar de grootte zelf door absolute waarneming is bepaald, dan kan deze voor alle andere punten daaruit worden afgeleid.

Slingerwaarnemingen hebben niet alleen bet voordeel, dat zij minder bezwaarlijk en kostbaar zijn dan graadmetingen, maar ook, dat zij kunnen worden uitgevoerd op punten, die niet in een triangulatienet kunnen worden opgenomen, b. v. de kleinere eilanden in den oceaan. Daar de slingers een vaste opstelling vereischen, is men gebonden aan waarnemingen te land; een enkele maal, bij de Noordpoolexpeditie van Nansen, heeft men ze aan boord kunnen bezigen ter bepaling van de zwaartekracht op zee, toen het schip vast ingevroren lag.

In de laatste jaren is er voor de bepaling der zwaartekracht op zee door Hecker een andere methode toegepast, waarvan het denkbeeld afkomstig is van Mohn. Hij bepaalde namelijk

Sluiten