Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedaan. Over den oorsprong van dien grond is missshien niet voldoende nagedacht, en daarom ook hier deswege het volgende.

De spier is die kleigrond, die zich in het Haf heeft algezet vóór en tijdens de veenvorming. Zij is volstrekt niet met zand vermengd, zooals onze bouwgrond.

Toen de duinen waren doorgebroken, begonnen de stroomen zich te vormen; het diluviale zand dat daardoor loswoelde, vermengde zich met de steeds afzettende slibdeelen en vormde de klei. Daarom kan men onzen bouwgrond verdeelen in vier soorten, namelijk in lichte zavel, goede zavel, zavelachtige klei en in klei. Men vindt die vier soorten in meest alle Zeeuwsche polders vertegenwoordigd.

Het lichte zavel treft men als zwaarder bestanddeel aan in de nabijheid van stroomen of verebde wateren. Het aardt in hoedanigheid veel naar het diluvium, maar door zijn lagere ligging behoudt bet langer zijn capillaire vermogen en door het eenigszins kleihoudende gehalte overtreft het nog altijd dit in deugd. Het goede zavel bevat ongeveer evenveel zand als klei; het is een grondsoort, die na het bekend worden der kunstmeststoven zeer gewild is als voor alle plantenteelt geschikt. De zavelachtige klei en de kleigronden, die in gunstige omstandigheden groote opbrengsten opleveren, moeten bij ziekelijke grondgesteldheid voor zavel niet zelden onderdoen.

De spier is voor weiland beter geschikt dan voor bouwland. Zij bevat een schat van planten-voedsel. De Beemster is daar, om dit te staven.

In het derde hoofdstuk handelt de schrijver over de bewoners en hunne Vliedbergen. Deze waren, zegt hij, niet tegen hooge vloeden door dijken beveiligd en daarom hadden ze Vliedbergen opgeworpen, waarop zij bij buitengewoon hooge getijen met have en vee hun toevlucht namen.

Hadden de bewoners in hun vlucht eenig vee mede-

Sluiten