Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevoerd naar de schorren, bestendigd kon dit daar niet worden, omdat ze met moeite op hunne kleine heuvels water voor zichzelven in kleine kuilen konden opvangen en bewaren.

Ik schreef van hun vlucht en dat zal het wel geweest zijn, als men leest hoe zij in Toxandria herhaaldelijk door de Romeinsche legers dermate werden overweldigd, dat ze een leven van bijna alle ontberingen op die schorren, maar in volkomen vrijheid, verkozen, boven het gevaar van voortdurende mishandeling, welke bijna aan geheele vernietiging grensde. Zie daarover Hollestelle in een bijvoegsel van de Thoolsche courant van 15 Juni 1901.

Onophoudelijk, zegt de schrijver van het Proefschrift, ging de aanslibbing voort de kleilaag op te hoogen. Een natuurlijk gevolg daarvan was stijging der vloeden.

Afgezien nog van de daling van den bodem, heeft het toenemend vermogen der stroomen veel meer bijgedragen tot vloed verhooging dan de opslibbing.

In het ierde hoofdstuk treedt de schrijver in breedvoerige beschouwingen, waarom de eerst bedijkte polders lager liggen dan de later tot stand gekomene. Al de beschouwingen, die hij daarover ten beste geeft, kunnen zoo weinig invloed op dat verschil van ligging hebben gehad, dat zij geen verdere wederlegging waardig zijn. Maar in het derde hoofdstuk heeft hij in weinige woorden bijna de geheele eenvoudige waarheid daarover gezegd. Hij deelde aldaar mede, konden die gronden, welke door ringdijken waren omzoomd, niet meer in verhooging deelen, buiten die dijken zettte de aluviale vorming zich voort, waardoor de gronden natuurlijk verhoogd werden. Had hij er nog bijgevoegd, door het steeds breeder en dieper worden der stroomen nam de ophooging veel sneller toe, dan waren alle verdere beschouwingen overbodig geweest.

Van des schrijvers werk meer afstappende, wensch ik

Sluiten