Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten lachen, maar dat hun ongeoefende en ongeschoolde stem hun dien dienst weigert. Als men alle klinkers, zuivei uitgesproken tegen het harde gehemelte doet aanslaan, als men alle medeklinkers in het voorste gedeelte van den mond uitspreekt, en de schraperige geluiden dus niet gehoord worden, die onze taal zoozeer ontsieren, als men op verschillende toonhoogten, binnen het bereik van de spreekstem natuurlijk, een krachtigen, klankrijken en mooientoon kan ontwikkelen, dan eerst moest men tot het zeggen van verzen, tot het houden van lezingen of tooneelspelen overgaan, want dan eerst zal hetgeen wij te zeggen hebben tot zijn recht komen. Onze Nederlandsche taal behoeft niet achter te staan bij andere talen; zij kan dreunen als krachtige mokerslagen op een aanbeeld, en lieflijk ruischen als een Zuidenwindje in een Meinacht. Het eerste nu, gelooven de menschen wel, maar het tweede ? En toch ziehier een voorbeeld tot staving van mijn bewering; een vergelijking nog wel tusschen het Fransch en het Hollandsch. Ik zal het eerste couplet van de Muze zeggen uit de „Nuit de Mai" van Alfred de Musset, en daarna de vertaling van onzen dichterschilder Jacques van Looy:

Poète, prends ton luth et me donne un baiser.

La fleur de 1'églantier sent ses bourgeons éclore. Le printemps naït ce soir, les vents vont s embraser, Et la bergeronnette, en attendant 1'aurore,

Aux premiers buissons verts commence a se poser. Poète, prends ton luth et me donne un baiser.

Dichter, neem uw speeltuig en geef mij een kus. De knop der eglantier voelt de bloem uitluiken.

Sluiten