Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liet; dat de zang door een hinderlijk vibrato ontsierd werd, en dat de wijze van toonvorming zoo uitstekend was. Over dergelijke feiten mag het oordeel niet verschillend zijn, en toch kan men bijna dagelijks dergelijke verslagen lezen. Hier moet dus, zooals de heer Sibmacher Zijnen zegt, „één van beiden noodzakelijk er niets van verstaan." Van de zangkunst ten minste, zou ik er aan willen toevoegen. Ik heb niets tegen de kritiek op zichzelf; kritiek moet er zijn, doch dan liefst in vakbladen; maar ik ben tegen de wijze, waarop de kritiek zoo dikwijls wordt uitgeoefend, ook in vakbladen. Bij een der vakbladen, en wel dat, hetwelk ik geloof, dat het meest gelezen wordt, namelijk het Weekblad, voor Muziek onder redactie van Hugo Nolthenius, wil ik nog even stilstaan. In een schrijven van dien heer, dat in mijn bezit is, lees ik: „Iedere zangonderwijzer is overtuigd van het groote nut van spreekoefeningen, en weet natuurlijk daarvan het noodige werk te maken." De heer Nolthenius nu, die leeraar in de oude talen is aan het gymnasium te Utrecht, en in zijn vrijen tijd, zooals vele muziekverslaggevers, ook les geeft in solo-zang, liet onlangs een leerling optreden, die, behalve dat de stem in de keel zit, lispelt. Gij kunt u voorstellen, hoe verschrikkelijk of het is om een geheelen avond, want het was een liederenavond, te hooren lispelen. En dat was een leerling van den man, die brutaalweg schrijft, dat iedere zangonderwijzer van uitspraak natuurlijk het noodige werk weet te maken. En als ik nu lees, dat juffrouw X. weêr eens getoond heeft, wat een zangeres met een prachtige, zeer symphatieke stem, die zij volkomen heeft keren bchcerschcti, vermag, terwijl ik dezelfde zangeres meermalen heb hooren zingen, en dan steeds moet constateeren, dat de middentonen klankloos zijn, dat ze nogal

3

Sluiten