Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

na te speuren '). Zeven jaren gingen voorbij, vóór hij vond, wat hij zocht. Eerst vertrouwde hij zich toe aan twee leermeesters, die hem naar het Yogasysteem den weg tot het Nirvana wezen. Toen deze weg hem den vrede niet gaf, leefde hij jaren achtereen in de bosschen, in de strengste zelfkastijding, doch toen hij ook langs dezen weg niet kwam tot de verlichting, hield hij op met ascese en zelfkastijding. Verlaten van al zijne vrienden, die hem nu als een afvallige beschouwen, gaat hij naar Gaya, en zet zich daar neder onder een pippalaboom (ficus religiosus), sedert de boom der kennis genoemd. Hier gaat hem het volle licht op. Hij overziet met één blik zijne vroegere geboorten, alle wezens, alle werelden van alle tijden, hij leert kennen de schakels van oorzaken en gevolgen, ook de oorzaken van al het kwaad en de mogelijkheid der genezing; hij leert nu verstaan de waarheid van het lijden, de oorzaak van het lijden, en den weg der verlossing. Dat weten wordt bódhi genoemd. Van dat oogenblik af rekenen de Boeddhisten dat de monnik Gautama, Boeddha, d. i. de verlichte, geworden is. Van nu af treedt Boeddha op als leeraar. Hij verzamelt weldra een kleinen kring van discipelen rondom zich, die niet zoozeer door een vrijwilligen liefdesband aan hunnen meester gebonden zijn, zooals de jongeren van Jezus, maar die tot een formeele orde van bedelmonniken zijn vereenigd. Al predikende trok Boeddha, gevolgd door een groote schare, onderweg door zijne aanhangers verzorgd, van de eene plaats naar de andere. Het terrein van zijne werkzaamheid was het Noordelijk deel van Voor-Indië, in de nabijheid van den Ganges. De heilige stad Benares, met het daarbij gelegene lusthof Jetavana, was het middelpunt zijner omwandelingen. In Juni, wanneer de regentijd aanbreekt en de Indiër rust neemt, hield ook de rondreis van

') Oldeuberg, Buddlia, S. 120—124. Kern, Buddhisme, I, blz. 38—53.

Sluiten