Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stukken uit den tijd voor Christus hierin verwerkt, maar het Boeddhacarita van Acjwaghosha, waarop men zich bij de vergelijking ook wel als bron beroept, is niet vroeger dan ongeveer 200 n. Chr. geschreven, terwijl de inleidingen op de Dsjatakas volgens bevoegde beoordeelaars nog jonger zijn.

Daarom kunnen deze geschriften buiten bespreking blijven; een beroep op de Lalitavistara is uiterst zwak. De hypothese van Seydel mag dan ook als mislukt beschouwd en als zonder grond veroordeeld. Geen enkel echt kenner van het Boeddhisme en van de Indische oudheid heeft dan ook met die meening zijn instemming betuigd. Prof. Windisch, een uitnemend kenner der oudheid, heeft in zijn boek „Mara und Buddha" ') de vergelijking van Seydel als „kritiklos" gekarakteriseerd. Oldenberg, de voortreffelijke kenner van het Boeddhisme, verwerpt geheel het resultaat van Seydel en zegt: 2) „es ist verfelilt an Einflüsse der Buddhistischen Tradition auf die christliche zu denken'. Trouwens historisch aanwijsbare betrekking tusschen het Christendom en het Boeddhisme vinden wij eerst ongeveer 200 n. Chr.

Is de nieening van Seydel dus gebleken een onbewijsbare en onjuiste hypothese te zijn, wij mogen ook niet voorbijzien dat zij gevaarlijk en antichristelijk is. Zij stelt toch naar religionsgeschichtliche methode het Christendom op eene lijn met de godsdiensten der heidenen, zij ontkent het goddelijk karakter van de H. Schrift en loochent het geheel eenig karakter van de christelijke religie en tracht de menschen in den waan te brengen, dat liet Christendom zijn inhoud aan het Boeddhisme heeft ontleend. Al ontkennen wij niet dat in de godsdienstige geschriften der heidenen, dank zij de gemeene gratie Gods, vaak schoone en verhevene gedachten

') „Mara und Buddha" 1895.

!) Theol. Litt. Zeitung v. Harnaok u. Sehürer, 1884, S. 187. Buddha, 1903, S. 135.

Sluiten