Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een verandering, een geschieden, kan men als het eerste en het laatste slechts ééne wet erkennen, de causaliteitswet de wet van oorzaken en van gevolgen. Wanneer deze wet is begonnen te werken, kan Boeddha niet zeggen, of liever, hij laat zich daarover niet uit.

Wat in die causaliteitswet begrepen is wordt voornamelijk door twee woorden uitgedrukt, sankhara en dhamma. De sankhara's (Gestaltungen, vormingen) zijn psychologische toestanden van het bewustzijn, voorbijgaande stemmingen of werkzaamheden, die door het schikken van onze indrukken ontstaan, en goede of slechte daden praedisponeeren. De sankhara is altijd een lid in de causaliteitsrij en is eene werking van vroegere toestanden, en tevens een oorzaak van toekomende handelingen. Het woord sankhara beteekent, volgens Oldenberg, zoowel hetgeen toebereid is, als het toebereiden zelf, en wijl iets, wat gemaakt is, haar grond heeft in het gemaakt worden, en tevens, wijl er, volgens het Boeddhisme, niet zoozeer iets is dat zijn wezen in zich zelf heeft, ein Seiendes, maar wel het proces van het voortbrengende en het zich weder oplossende zijn, is sankhara de algemeene uitdrukking voor datgene wat wordt en wat vergaat. Elke daad heeft hare vrucht in zich zelve, en leidt naar de wetten van de causaliteit tot nieuwe daden en toestanden, tot nieuwe bestaansvormen, tot nieuwe sankhara's. De regel waarnaar die werking toegaat is dhamma, de zedelijke wereldorde. Deze leert dat wanneer de sankhara op de zonde gericht is, het wezen bij de wedergeboorte komt tot een onrein bestaan, maar wanneer de sankhara gericht is op hot goede, een wezen komt tot een rein bestaan.

Hieruit blijkt dus bij vernieuwing dat bij het Boeddhisme niet het bestuur der wereld is in de handen van God, die boven en buiten de wereld staat, en alles regeert, maar in handen van de causaliteitswet, die met ijzeren noodzake-

Sluiten