Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijkheitl alles beheerscht. Geen God, die wonderen doet, die volmaakt wijs en goed, volkomen zelfbewust het lot der wereld regelt, het pad der menschen uitbakent; die zorgt voor al wat leeft en het voorziet van al het noodige. Geen vader die met teedere zorg waakt over zijne kinderen, die al het schepsel alzoo in zijne hand heeft dat het tegen zijnen wil zich niet kan roeren noch bewegen, die al het kwaad van de zijnen kan weren en alles voor hen ten beste keeren, maar eene blinde macht, die blindelings den mensch voortsleurt en onder zijne ijzeren raderen verplettert. Een zedelijke wereldorde dus zonder een persoonlijk wetgever. Wanneer gij vraagt: Wanneer is deze wereldorde ontstaan? Is ze eeuwig of niet? dan zwijgt Boeddha. Het antwoord is voor de verlossing niet noodig.

Het Boeddhisme dooft dus alle individualiteit uit en loochent de persoonlijkheid van den mensch. Er is wel eene rij van voorstellingen en toestanden van het bewustzijn, maar geen drager van al die toestanden. Er geschieden wel daden, maar er is geen persoon, die ze doet. Het ik is maar een schijn-ik. Dat ik is uit eene bepaalde oorzaak ontstaan en verdwijnt weer als die oorzaak tot een nieuwe vorming geleid heeft. De mensch moet, zal hij tot de verlossing komen, afgebracht worden van den waan, dat hij als een persoon bestaat. Wanneer hij temidden van zijn lijden tot de kennis gekomen is: „Dat ben ik niet, dat is niet mijn ik," dan komt hij tot de verlossing. Aan iemand, die hem vroeg of het in het karma wedergeborene hetzelfde was, of iets anders dan het oude? antwoordde Boeddha, dat men niet kon zeggen dat het dezelfde of een ander was, maar dat men deze uitersten vermijdende de waarheid van de causaliteitswet moet overdenken. De persoonlijkheid heeft geen afzonderlijk zelfstandig bestaan. Nagasêna brengt in den bekenden dialoog koning Milinda tot de overtuiging, dat evenals men van de afzonderlijke

Sluiten