Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„In een huis," gaf hij ten antwoord, „waar nog nooit een zoon of een dochter of iemand anders gestorven is." „Goed meester," zeide zij, boog zich voor hem en nam haar dood kind op den arm en ging naar het naastbij gelegen dorp.

Aan de deur van hot eerste huis ging zij staan en riep: „Hebt gij misschien in uw huis eenige mosterdzaadjes? Ik heb ze noodig voor mijn kind." „Ja", antwoordden de lieden. „Geeft ze mij dan", zeide zij. En als de lieden haar de mosterdzaadjes brachten, vroeg zij: „Vrienden, is er waarlijk in dit huis nog geen zoon of dochter of iemand anders gestorven?" Zij antwoordden: „Lieve vrouw, wat zegt gij ? De levenden zijn weinige, maar de dooden vele." „Behoudt dan uwe mosterdzaadjes", zeide zij en wierp ze op den grond, „zij deugen niet als medicijn voor mijn kind." En zij ging verder en vroeg aan alle deuren op dezelfde wijze. Als zij echter de mosterdzaadjes in geen enkel huis bekomen kon en het avond werd, kwam de gedachte bij haar op: „Dit is een moeielijke arbeid, ik weet thans, dat mijn kind dood is. In elk dorp zijn der dooden meer dan der levenden." Toen zij zoo peinsde, werd haar hart, dat door de liefde tot haar kind gebroken was, weer sterk, en zij droeg het kind naar het bosch en liet het daar achter.

Toen ging zij weder naar den meester, boog zich voor hem neder en ging zwijgend bij hem staan. En de meester sprak tot haar: „Hebt gij de mosterdzaadjes gekregen?" „Neen meester", zeide zij, „in elk dorp zijn der dooden meer dan der levenden." Toen sprak de meester tot haar: „Gij dacht dat uw zoon alleen gestorven was, maar dit is de eeuwige wet voor alle levende wezens. De vorst des doods sleurt als een snelvlietende stroom alle wezens met zich voort naar den oceaan der vergankelijkheid, lang voor hunne wenschen vervuld zijn." Daarop deelde haar de meester, om haar in te leiden in de kennis der wet, de volgende verzen mede:

Sluiten