Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Handmann ') terecht opmerkt, niets anders is dan „eine vergeistigte Naturreligion", en dat de persoonlijkhefd als zoodanig voor het Boeddhisme geene beteekenis heeft.

Heel de weg der verlossing wordt afgelegd zonder eenige hulp van anderen. De mensch zelf is de eenige handelende persoon in den strijd tegen lijden en dood. Men verwacht in geen enkel opzicht de verlossing van God, zelfs niet van Boeddha. Boeddha staat gelijk met de monniken, is een mensch als andere menschen, maar heeft in zijn hooger en krachtiger streven voor het eerst den weg tot de verlossing gevonden. Niet Boeddha verlost, maar hij onderwijst zijne leerlingen en wijst hun den weg aan om tot de verlossing te komen. Hij sprak zelf4): „Daarom, o Ananda, weest uw eigen licht, weest uw eigen toevlucht. Neemt niet tot iets anders uw toevlucht. Houdt vast aan de waarheid als een licht. Zoekt niet naar een toevlucht bij iemand anders dan bij u zelf". Boeddha is dus voor de verlossing van een ander niet noodig, en daarom treedt hij ook in de leer zelf op den achtergrond. Hij is echter het type van de hoogste macht en van de hoogste kennis, waartoe een mensch kan komen en tevens is hij het type van verwaandheid en zelfvergoding: „Ik ben", zoo spreekt hij, „de aloverwinnaar, de alwetende, onbevlekt van alles wat is. Alles heb ik verlaten, ik ben zonder begeerte, een verloste. Uit eigen kracht bezit ik de kennis, wien moet ik mijn meester noemen? Ik heb geen leermeester, niemand is met mij te vergelijken. In de wereld en in de hemelen tezamen is niemand, die mij gelijk is. Ik ben de heilige in de wereld; ik ben de hoogste meester. Ik alleen ben de volkomene

') Christeuthum und Buddliismtis, Zeitschrift für Theologie und Kirr.hft. "Freihnrg. 1892. S. 93.

') Oldenberg, Buddlia, 1903, S. 225.

Sluiten