Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sche vermakelijkheden, 8° het gebruik van parfumerieën, 9° een weelderig bed, 10° het aannemen van geld.

De eerste vier geboden komen zeer nabij aan het zesde tot het negende gebod van de wet des Heeren. Wat het eerste gebod aangaat strekt. Boeddha het verbod om te dooden ook uit tot de dieren. Het is duidelijk om welke reden. Naar de wet van het karma is het dier vroeger een mensch geweest of kan het later weder als mensch worden wedergeboren. Het ontzien van de dieren strekte zich zelfs uit tot de nietigste insecten. Tot de inventaris van een Boeddhistisch monnik behoorde ook een waterzeefje, waarmede hij alles filtreerde wat hij dronk, opdat hij niet een levend wezen zou inslikken. Dat de monniken in den regentijd niet reisden van de eene plaats naar de andere, geschiedde mede omdat men dan geen schrede kon doen, zonder een levend wezen te vernietigen. Zelfs richtte men hospitalen op waar allerlei kranke dieren, zelfs muizen en ratten werden verpleegd. Het medelijden was dus wel groot. Voor het Boeddhisme had dit zedelijke waarde, omdat alles ondergeschikt gemaakt werd aan het denkbeeld van de verlossing; maar wanneer wij bedenken dat een monnik, die kuisch moest leven, zijn vrouw en kinderen moest vaarwel zeggen, geen liefde en geen zorg meer aan hen mocht wijden, wijl het intreden in de monnikenorde dienstbaar is aan de verlossing, dan is deze moraal veroordeeld. Bij alle zedelijke eischen van liefde, goedheid en barmhartigheid, mag de Boeddhist nooit vergeten, dat ten slotte, wanneer het hart zich hecht aan anderen, dit is een zich vasthechten aan de vreugde en om die reden aan het lijden der vergankelijkheid. Er ligt dus aan de liefde een egoistische trek ten grondslag. Men komt door het liefdevol handelen verder dan door het tegendeel. Evenals de mensch alle aandoeningen moet beheerschen, zoo moet hij ook alle lietde laten varen. Alle smart en geklag, alle lijden in de

Sluiten