Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dit woord, in verband met een woord van Petrus, die zijn meester bestrafte omdat deze er van sprak, weldra het smartelijke lijden te moeten ingaan. Jezus zag dat de vrees voor lijden een beletsel kon worden om onvoorwaardelijk hem te volgen, en sprak het daarom uit, dat hij, die discipel van Jezus wil worden, hem onvoorwaardelijk volgen moet en dat, omdat dit niet anders kan dan met strijd, wijl de wereld en de zonde hem willen afhouden van het dienen van Jezus, de discipel zich zeiven moet verloochenen. Om die reden spreekt de Christus (Mt. 10: 34-37): „Die vader of moeder liefheeft boven mij, is mijns niet waardig." Jezus wil den band der natuurlijke lietde niet verbreken, maar de liefde tot hem mag bij de liefde tot de bloed- verwanten niet ten achter staan. Dezelfde gedachte wil Jezus leeren Luc. 14:26: „Indien iemand tot mij komt en niet haat zijnen vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja ook zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn." Wanneer vader en moeder, ja welk mensch ook, dien men liefheeft, de liefde tot Christus tegenstaan en zij niet willen dat men Jezus dient, dan moet men beslist breken met vader en moeder, en Jezus volgen (cf. 16: 13). Wanneer Jezus Mare. 8: 35, 36 wijst op de geheel eenige waarde van de behoudenis der ziel en hij waarschuwt om de wereld niet lief te hebben, dan doet hij dit om duidelijk te maken, dat iemand zijn wezenlijk leven verliest, wanneer hij verstrikt is m de banden der wereld. De Heere Christus wijst zijne volgelingen aan den weg van zelfverloochening, den lijdens- en stervensweg, omdat juist langs dezen weg de macht der zonde wordt gedood, Christus in de zijnen gestalte bekomt en de geheiligde persoonlijkheid tot haar recht komt. Maar dat de Christus met deze uitspraken volstrekt geen ascetische bedoelingen had, in den geest van 'het latere ascetisme in de christelijke kerk, blijkt wel duidelijk uit de feiten zelf

Sluiten