Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het volksleven. Ofschoon hij vele weldaden ontving van vrouwelijke aanhangers der secte en deze hem dienden van hare goederen, was de wijze, waarop hij over de vrouwen sprak, niet heel vereerend voor hen. Het verstand der vrouwen is gering, zoo sprak hij, maar twee vingers breed. „De vrouw is door hare schoonheid en hare listen de gevaarlijkste van alle valstrikken, die den mensch kunnen gelegd worden, de geweldigste macht, die den mensch onder de betoovering vasthoudt, de wortel der boosheid." „Vrouwen zijn ondoorgrondelijk, onnaspeurlijk evenals de weg van de visschen in de zee. Zij houden de waarheid voor leugen en den leugen voor waarheid. Onverzadelijk als de kraaien zoeken zij altijd naar nieuwe spijze, zij zijn onbestendig als het drijfzand, gruwelijk als de slangen, ervaren in alle listen." „Hoe moeten wij ons gedragen tegenover eene vrouw?" vroeg eens Ananda aan Boeddha. „Grij zult haar aanblik vermijden, Ananda." „Wanneer wij ze evenwel toch zien, Heer, wat moeten wij dan doen?" „Niet met haar spreken Ananda." „Wanneer wij toch met haar spreken, Heer, wat dan?" „Dan moet gij waakzaam zijn over u zelf, Ananda." ') Het was niet dan noode dat Boeddha de vrouwen toeliet opgenomen te worden in de orde, want hij achtte dit gevaarlijk voor het voortbestaan der orde. De nonnen worden geduld, hoewel ongaarne, en staan verre onder de monniken, die zij moeten eeren. Het is de troost voor eene vrouw dat zij, als zij verdienste verworven heeft, in een volgend bestaan niet weder als vrouw wedergeboren wordt.

Het is dan ook geheel onwaar, wat Olcott zegt !), dat het Boeddhisme de vrouwen op gelijken voet met de mannen stelt en dat „het meer heeft gedaan voor het geluk en de bevrijding der vrouw dan eenige andere godsdienst". Wan-

a 186

/ — — — WAAWW ^UUUilUj KJ • Awv.

l) De Boeddhistische Catechismus, blz. 68.

Sluiten