Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als onvergankelijke regel, de wet der causaliteit; geen hemel, waar de verlosten bewust God dienen, maar een ophouden van alle zijn en bewustzijn in het Nirvana, in een toestand boven goed en kwaad verheven.

Het Christendom predikt ean levenden Christus, den zoon Gods en den zoon des menschen, die door één volkomen offer voor altoos voldaan heeft voor allen, die door hem tot God gaan en die nog altoos leeft om voor zijn volk te bidden: eenen Christus die door zijnen Geest het leven in zijn middelpunt aangrijpt, herschept en reinigt en tot heel den omtrek van het leven zijne herscheppende kracht doet uitgaan. Het Boeddhisme verkondigt een dooden Boeddha, die eenmaal het evangelie van het Nirvana gebracht heeft, maar thans zijne aanhangers niet meer kan hooren en hun geen ander heil of troost kan bieden dan dit eene: „Het leven is lijden, streeft er naar om van dat lijden verlost te worden".

In verband met dit atheïsme is ook de ethiek van het Boeddhisme geheel tegengesteld aan die van het Christendom. De christelijke moraal is theonoom; de Boeddhistische autonoom. Het Christendom gaat uit van God almachtig, die schepper, wetgever en rechter is; het Boeddhisme kent geen hoogeren wetgever dan de mensch, geen hoogeren rechter dan het karma. Het Christendom stelt als hoogsten eisch aan den mensch, God lief te hebben boven alles en den naasten als zich zeiven; het Boeddhisme leert niemand liet te hebben meer dan zich zeiven en bij elke daad zichzelven de vraag te stellen: Is het dienstig voor mijne verlossing of niet? De christelijke moraal is positief, gericht op de eere Gods en stelt daaraan alles ondergeschikt ; de Boeddhistische moraal is negatief en maakt heel het leven ondergeschikt aan de vernietiging van eigen persoonlijkheid. Het beginsel der christelijke moraal is liefde tot God en den naaste; het beginsel der Boeddhistische

Sluiten