Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

f

Wij hebben geen God meer noodig, zegt Meyer-Benfey '), er is voor hem in de wereld geen plaats. Laat de oude kluizenaar in het bosch nog voortgaan zijnen God te vereeren. Wij jongeren van Zarathustra weten dat God dood is en niet weer zal opstaan. Geen wonder dat in zulko kringen het Boeddhisme zijne vereerders vindt, wijl dit ieder mensch tot zijn eigen verlosser maakt en leert, dat de mensch zonder middelaar en priester, zonder offer en gebed, zonder God of Christus, alleen door eigen kracht het Nirvana kan bereiken. Het is uit met den dood, dat is de wensch van vele onrustige zielen, dat is de armzalige troost, waarmede het Boeddhisme de stem der conscientie doodt. (

Evenwel wordt hij, die bekoord werd door bovengenoemde aanbeveling, dat het Boeddhisme een weten geeft zonder geloof, spoedig ontnuchterd, wijl steeds van hem gevraagd wordt onvoorwaardelijk geloof te hechten aan het almachtige en overal heerschende karma. Een van de tien boeien, die geheel moeten worden afgelegd, om tot de difinitieve bevrijding van het leven te komen, is „de twijfel of er een zedelijke wereldorde en een weg tot de verlossing bestaat" *). Bovendien komt de wijze, waarop het Boeddhisme spreekt over vele zaken, die ten nauwste samenhangen met den weg der verlossing, niet met dat zuivere weten overeen. Wanneer wij vragen: Wat is het ik? Wat is de persoonlijkheid? Wat is het Nirvana? dan krijgen wij ten antwoord, dat Boeddha zich hierover niet heeft uitgesproken, dat het vragen daarnaar niet nuttig is voor de zaligheid. Ten slotte kan een weinig nadenken leeren dat het Boeddhisme volstrekt niet alleen met wetenschap-

') Meyer-Benfey, Moderne Religion, Leipzig, Diederichs, 1902, S. 130. *) De Leer van Boeddha, door Subhadra Bhikschoe, vertaald d. v. Houten, blz. 107.

Sluiten