Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Vader kunnen leven, desnoods huiten den Zoon?" M. H., gij weet dat wij hier het groote vraagstuk dezer eeuw aanroeren; gij weet dat alle andere vragen van den dag, van weinig of geen heteekenis zijn hij deze; gij weet dat de strijd der eeuwen gaat om de kroon van onzen Heiland. Welnu, wij aarzelen niet tegenover alle bedenkingen en bezwaren, ons geloof in Jezus van Nazareth, den Christus Gods, als den eenigen weg ter zaligheid, te handhaven; wij aarzelen niet hardgrondig uit te spreken, dat wie den Zoon niet eert ook den Vader niet eeron kan, en dat, met het eenig fundament, ook het gebouw van ons geloof aan een onzienlijke wereld, van ons geloof in den levenden God, staat en valt.

God! Hoe zouden wij tot Hem durven naderen, hoe zouden wij Zijn naam durven uitspreken, zonder geloovig den blik te slaan op het kruis van Golgotha, waar de Heiland Zijn plechtig: „Het is volbracht!" deed hooren? Zijn wij dan niet gevallen? Zijn wij dan niet van nature in opstand tegen den Allerhoogste? Is de zonde dan slechts onvolmaaktheid en geen schuld, waarachtig schuld? Voorwaar, wij kunnen het streven onzer tijdgenooten, om te komen tot een aanbidding in geest en in waarheid, om te komen tot Gods Vaderhart, buiten den Christus, slechts toeschrijven aan een algemeene verzwakking van het schuldbesef, en een gebrek aan ernst in het geloof aan Gods gerechtigheid. Spreekt niet van het Oude Verbond, beroept u niet op het voorbeeld der toenmalige Godsgetuigen, om de mogelijkheid van het geloof in God als Vader, afgescheiden van het geloof in Christus te bepleiten; want in het Oude Verbond wijst alles op een uitdelging der schuld, op een offer, wijst alles op den Messias als eenigen Verlosser,

zien en niet op hooren zeggen van Hem spreken, laten wij ons door niemand, wien ook, binden in ons oordeel..."

En elders vinden wij deze uitspraak, die de voortdurende, onafgebroken gemeenschap tussehen Zoon en Vader in twijfel trekt:

„In overeenstemming hiermede (n.1. met het sporadisch „zien" van God, F. K.) luidt de klacht dat God zwijgt, zijn aangezicht verbergt, ver is van den geloovige, en legt de overlevering in de twee eerste evangeliën op de lippen van den Christus aan het kruis: „Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?" Het lijkt mij ook ongeloofelijk, dat een mensoh, te midden van zooveel dat hem naar beneden trekt, altijd in de allerhoogste stemming zou zijn." (Ibidem p. 55.)

Sluiten