Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

persoonlijkheid vol reinheid 0n goedheid, door zijne bergrede en strafrede; neen, door zijn lijdon en sterven niet daarna gevolgde opstanding, gansch een evangelie en ganseh een leven wordt ten behoeve van de dogmatiek overgesprongen — eene miskenning van de werkelijkheid, waaraan nog onze orthodoxe predikanten, met name op feestdagen, zich schuldig maken.

Dan, 11a de verheerlijking in den hemel, de zending van den raadsman en trooster, die als plaatsvervanger des Heeren zijn werk zal voortzetten en voltooien. Eene mededeeling des heiligen geestes op één bepaald oogenblik, op bovennatuurlijke wijze, met uiterlijke teekenen.

Zielkunde en vergelijkende godsdienstwetenschap doen ons deze voorstellingen beslist wijzen van de hand."

Dat collega J. II. zóó over de dingen denkt: niemand, die hem hot recht daartoe zal betwisten. Maar die laatste volzin is weer teekenend voor de moderne richting; wie die beschouwingen niet deelt, staat op gespannen voet met de wetenschap! Zijn er dan geen godgeleerden, die, evengoed als de besten onder de modernen, op de hoogte zijn van „zielkunde en vergelijkende godsdienstwetenschap", en die toch protest zouden aanteekenen tegen do zienswijze van collega J. II.? Zij zijn er, Goddank! En zij zijnde meerderheid.

IV.

In onze preek over de ware vrijheid, klaagden wij ook over Boeddhistische neigingen hij sommigen, die den naam van Christus blijven dragen. „Wie wordt niet met lamheid geslagen," vroegen wÜ-> na'8 ''ij van een Christenkansel, in een Christelijke kerk, door Christenleeraars hoort verkondigen, dat Boeddha, niet minder dan Jezus, het licht der wereld is? Dat men zeer goed Christen kan zijn, zonder te gelooven in Jezus, als in den Christus Gods? Dat men, in tegenspraak met do duidelijkste verklaringen van den Heer, wèl tot den Vader kan komen, buiten den Zoon?"

Collega Hille Bis Lambers (Hervorming 0 Augustus 1904) heeft in deze uitlating een directe zinspeling gezien op het werken en streven van den heer Bahler. Ten onrechte evenwel. Wij dachten, toen wij dat neerschreven, aan een gansche strooming in het modernisme, die,* naar wij nieenon, steeds meer de overhand krijgt. Ik verklaar mij nader.

Sluiten