Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is ook onze leuze, al hebben wij dan geen theologie, maar godsdienst t»; brengen aan de gemeente.

Zijn wij dan nu „modern"? Volgens de definitie van Prof. Ookt en volgens art. 1 van den Ned. Protestantenbond, ja. Volgens de werkelijkheid, neen. Hoe komt dat? Laat ik trachten van dat verschijnsel eenige verklaring te geven.

In theorie, treedt het modernisme eenvoudig op met een „formeel" beginsel. In theorie, wil liet niet anders dan den geest van het Protestantisme meer en meer tot zijn recht laten komen, en tegenover het van buiten opgelegd, menschelijk gezag, de innerlijke overtuiging, de persoonlijke verzekerdheid, het testimonium Spiritus Sancti stellen. Ken Vi.vet, die eenmaal zeide (wij weten niet of wij de woorden juist weergeven, maar in de strekking vergissen wij ons zeker niet): „II se peut que j'aie des opinions catholiques; ce que je repousse c'est 1'autorité extérieure", zou dus „modern" geweest zijn, hoewel hij het kruis van Golgotha, in het midden \an zijn geloofsleven plaatste. Een Secrétan, met zijn trinitarisch Godsbegrip, zijn denkbeelden over den „val in Adam", en over de „verlossing in Christus", zou evenzeer door het modernisme geannexeerd kunnen worden, omdat hij van geen dogmatisme, d. i. van geen gezaghebbende, bindende kerkleer wilde weten. Welnu, wij gelooven, dat het modernisme geen grooter, meer principiëele tegenstanders ooit heeft gehad, dan juist die twee reuzen op theologisch gebied. Want het modernisme heeft naast het uitgesproken „formeele" beginsel, een onuitgesproken (en juist daarom zoo gevaarlijk!) materieel beginsel. Het treedt op, inde praktijk, met een geheel stelsel, negatief wel is waar, maar toch een stelsel, dat wij zouden kunnen samenvatten in dit eene negatieve dogma (wij schrijven het, na rijp overleg, en later hopen wij deze bewering in een afzonderlijke studie te staven): Jezus van Nazareth is niet geweest de Christus Gods, de Zaligmaker der wereld. En vandaar het eigenaardige verschijnsel, dat inen in het modernisme wel de vrijheid heeft om van het historisch Christendom af te wijken, zoo ver men wil (denkt aan den heer Krvthe en aan dien predikant, die zijn leerlingen, volgens collega II. H. Meulexbelt, aannam op de volgende belijdenis: „Zweert gij aan uw geweten trouw; belooft gij goed te zijn; belooft gij als reinen te leven"), maar niet de vrijheid om te gelooven in den levenden, Drieëenigen God, Die hoort en verhoort, te gelooven aan de verzoening, te gelooven aan de godheid van Christus. Wat blijft er nu over van die „ware" toestanden in moderne kringen? Wat blijft er over van het verwijt,

Sluiten