Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit nu wil ik tegenspreken. Het doel van dit paragraafje is: dit angstig roepen van sommige (een weinig domme) geloovigen (de meeste menschen, dus ook de meeste geloovigen *) ziin een weinig dom) te doen bedaren.

Let eens op.

Gesteld eens het zéér ónwaarschijnlijk geval, dat het, werkelijk aan Edison of een zijner collega's-uitvinders gelukte een levend denkend, zelfbewust, ja latijnsprekend wezen te maken.

Wat dan nog?

Dan - zou - hierdoor -slechts-met-des-te-grooter-ontzag-voor-Qodonze-ziel-vervuld-worden.

Want — dan zoude blijken, dat Qod alzoo kunstvaardig was geweest, dat Hij menschen konden maken (Edison c.s.) die zó6 knap waren, dat die weder op hun beurt schepselen konden fabriceeren.

Een werker ... is die niet des te meer bewonderenswaardig, naarmate zijn werkstuk bewonderenswaardig is?

Stephenson bewonderen wij om zijne uitvinding der in-depraktijk-bruikbare-locomotieven. Maar als er nu eens 'n andere Stephenson opstond die uitvond eene locomotief die zélf weder locomotiefjes kon maken, uitpuffen ... zou dan niet die Stephenson II nóg knapper moeten zijn dan Stephenson I?

Zoodat 'k maar zeggen wil, dat eene mogelijke uitvinding van het fabriceeren van homunculusjes of andere bezielde wezentjes of monaden door menschenhand, niet alleen niet tégen het geloof en tégen Qod zoude pleiten, maar integendeel het ontzag voor Hem (indien het mogelijk ware, althans) nog zoude moeten doen toenemen.

VERVOLG X.

Een zonderling avontuur in het Rijks-Museum

Luister goed, jongens, en let eens op of 'k geen gekke ontmoeting had in dat mooie, groote museum te Amsterdam.

Ik was dan de zware steenen trappen opgeklommen met de koperen leuningen en fluweelen hangers; ik ging de grootsche, koninklijke eerezaal binnen, . . . toen ik aan het einde daarvan' beschenen door het licht dat door de gekleurde vensters binnenvalt, een vreemd tafereel zag. Eerst wou ik mijne oogen niet gelooven, maar ja, het was toch zoo. Wat? Dat zult ge hooren.

Verbeeld u . . . daar stond eene groep menschen deftige strijkages te maken, allen met ontbloot hoofd. En weet ge voor wien? Voor een slootgraver, die, zoo smerig als hij was, uit zijne modderschuit was komen aanstappen, terwijl het vette slijk overal aan zijne hooge laarzen en zelfs aan zijne kleeren kleefde, en de vuile voetstappen den geheelen mozaïkvloer verontreinigden. En deze sinjeur liet zich de deftige begroetingen, de betuigingen van

*) Maar dus ook de meeste óogeloovigen.

Sluiten