Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Stelling: Indien wij die gelooven te leven onder het oog van een alziend God, reeds desalniettemin nog zooveel kwaad durven denken en doen.... hoeveel te méér de godloochenaar!

(Deze stelling is niet geboren uit leedvermaak of wantrouwen, maar uft de zuivere logica.)

VERVOLG III.

Wie plicht zegt, zegt God.

Een woord van een oud en eerwaardig, wellicht nu reeds gestorven schoolhoofd te Sneek. Een woord voor hen die aan God twijfelen.

Denkt eens na, vrienden.

Wie plicht zegt, zegt God.

Neemt gij aan, gevoelt gij in uw binnenkamer dat er inderdaad zoo iets als plicht is, dat dit plichtsgevoel onafwijsbaar is, dat deze roering evenzeer bestaat als de roering in uw kopje thee als ge t roert?

Zoo ja, dan erkent ge dus dat onder de vele krachten die daar schuilen in de wereldenergie, ook eene kracht aanwezig is die (naar het bekende woord) „gerechtigheid werkt".

Maar dan is die groote reus die in het heelal alles drijft, dan is deze wereldenergie ook geen neutrale of blinde of stomme kracht, maar Een die ook drijft door gerechtigheidskracht.

Dat is t wat de theologen met een ongelukkig woord noemen : „de zedelijke eigenschap" van de groote macht. Maar dan is 't geen macht meer, maar eene Macht. Dan is het niet meer wat de menschen in de Nederlandsche taal noemen een „noodlot", maar wat diezelfde menschen in diezelfde Nederlandsche taal bedoelen wanneer ze zeggen : God.

Wie plicht zegt, zegt God.

Ook het omgekeerde is waar.

Maar ook het omgekeerde is waar voor hem die goed doordenkt.

Derhalve: Wie niet erkent God, die erkent niet: plicht.

Denkt s.v.p. even na

Als er geen God is,... wie of wat ter wereld zou mij dan commandeeren („kategorisch gebieden") om mijn plicht als onafwijsbaar te beschouwen? Wie zal mij gelasten dat ik mij opoffer?

Kracht en stof?

De domme dingen 1 ik zou ze bedanken, en zeggen: Jij kracht en stof, bemoeit je met je eigen zaken, met den bliksem en met mijn hoofdhaartjes: maar over mijn plicht heb je niets te zeggen!

Maar wie zal mij dèn mijn plicht gebiedend afeischen ?

Ik zelf?

Maar dan toch in elk geval iets in me dat boven mij staat; mijn „daimonion", zooals Sockates 't noemde.

Sluiten