Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo nadert men al heel aardig tot 't idee: Qod-in-ons.

Maar daar wil 'k niet verder over spreken; 'k wil nu niet het geloof in Qod opbouwen, maar me vergenoegen met den nadruk te leggen op deze noodzakelijkheid: dat gij, als ge geen Qod-in-u, geen daimonion-in-u, geen hoogere Macht-over-u, aanneemt, .... ge ook geen onafwijsbaren plicht-over-u erkennen kunt.

Dat heb ik tot bedroevens toe in de praktijk bemerkt bij debatten met allerlei atheïsten, waaronder lang geen domme, die (om het plichtsgevoel der menschen te verklaren) tot vervelens toe hun toevlucht namen tot de stelling dat deugd langzamerhand ontstaan is in den „strijd om 't bestaan," daar de aardigste en liefste dier menschen 't meest werden geduld en 't meest gingen floreeren; „als 2 konijntjes in 1 hok elkaar steeds bijten, dan hebben ze beide geen leven, dus worden ze wat vrediger tegenover elkaar, en dit is het begin van Deugd"; etc etc.

Nu, dat de burgerlijke moraal op deze wijze, volgens deze methode zoude hebben kunnen ontstaan, dit kan ik niet loochenen. Maar de echte opofferende liefde, het profetisme, dat zich juist niet aan de menschen aanpast (als een lief konijntje!), maar hen juist gaat bestrijden! Zou dit ten slotte ontstaan zijn uit aanpassing? Dit aan te nemen, lijkt mij een averechtsche zielkunde. Denk maar even na in u zeiven: komt de échte gerechtigheid-in-u voort uit uw lust tot „aanpassing"? (Denk aan Jezus en aan alle deugdhelden en martelaars.)

Neen, wie Qod ontkent, kan Plicht niet verklaren, en moet (als hij tenminste consequent is) eindigen met hem te ontkennen.

Nietzsche heeft mijns inziens terecht gezegd : „Is de godsdienst gevallen, dan moet noodwendig ook de zedelijkheid verdwijnen."

HOOFDSTUK IX.

De meubelmaker,

of

Aanwijzing dat de dood niet is het einde.

(Deze aanwijzing is voor mij voldoende en steekboudeed; wellicht ook voor u.)

Ik vraag: Wie is onze Maker?

Wel, hoe men ook moge denken over het Hoogste Wezen, waarover wij in Hoofdstuk 111, IV en V gesproken hebben,... dit zult gij mij toegeven: De Maker der Wereld, Die is ook onze Maker.

Maar wat weet gij van dien Wereldmaker af?

Antwoord: Ik weet er niet veel van, maar dit weet ik toch: dat het is de groote Kunstenaar of Ingénieur; de Meetkundige en Uitvinder, die de kleine fijne scharniertjes der spinnepootjes heeft

Sluiten