Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaak is, over het algemeen tegenover den godsdienst vrij vijandig gestemd zijn. En toch moest hun dit ,,'t zelfde" zijn: godsdienstig of ongodsdienstig .... wat zou dat schelen ? want zij zeggen: t komt er niet op aan. - Maar de natuur gaat bij hen boven de leer. Hun leer zegt: ,,'t Is hetzelfde, wat men gelooft of niet.' Maar hun natuur en instinct zeggen terecht: Het is op de menschen van invloed, of zij in hunne gedachten het zwaartepunt leggen op de zichtbare dingen van ons socialistisch stelsel, dan wel de onzienlijke dingen van den godsdienst. En daarom staan ze zoo dikwijls op hun achterste beenen in theologische zaken,... natuurlijk meestal in ontkennenden zin.

Lezenswaardig is in dit opzicht het eerste deel van Professor Bruinings geschrift. „Het voortbestaan van de menschelijke persoonlijkheid na den dood", te Assen bij L. Hansma, 1904, 75 cents, uitgegeven door den Protestantenbond. Hij beredeneert daar, hoe het bij de beschouwing en genezing, ook van de maatschappelijke ellenden, van veel gewicht is, uit welk oogpunt gij de menschenkinderen beschouwt. Dit is zeker, dat de volbloedmaterialist die in de menschen niets ziet dan scheikundige producten, (zeepbellen die straks uiteenspatten) zich niet veel moeite zal geven, om ze te redden van zedelijke ') ellende, die immers straks (bij den dood) absoluut eindigt 1 Of zijne natuur moest boven zijne leer gaan. En dat gaat ze gelukkig menigmaal. Maar als zijne „natuur' nu toevallig niet erg helperig is uitgevallen ... ?

Het is ,,'t zelfde" .... wat men gelooft. „Als je maar goed doet." Zie hier de machtspreuk van onzen tijd (niet meer bij de leiders goddank! maar) bij de vrijzinnige schare, van alle godsdienstig denken gespeend, niet onderlegd met eenige goedaaneensluitende overtuiging. Slechts zwevende gevoelens. Slechts édne overtuiging staat vast: „Geen dogma's 1" „Geen vaste leer 1 „Wat! leer?" „Als je maar goed doet!"

Als groote dooddoener komt dan natuurlijk bij de meer begaafden, (de vrije-gemeente-menschen en de dominees) voor de duizend en eerste keer Lessings bekende gelijkenis aangedragen. Lessing leefde in een tijd waarin de orthodoxe Luthersche Theologen elkaar heftig bestreden met dogmatische stellingen. Toen dichtte hij zijne gelijkenis, die, hoe onjuist ook, sterk voor verdraagzaamheid pleitte en aldus veel goed deed. Maar hoe kan men daarmede nog in onze dagen aankomen onder de vrijzinnigen, onder wie de verdraagzaamheid reeds is gestegen (of gezonken !) tot algeheele afwezigheid van beredeneerde overtuigingen omtrent God en eeuwigheid, ja onder wie in-Qod-gelooven ook al een „dogma heet; en... indien men 't waagt beslist op te komen voor de noodzakelijkheid voor ieder om naar de Eeuwigheid uit te zien.... o wee! dan heet gij „orthodox" en dit is de hevigste afkeuring

*) voor hem bestaat niet eens goed en kwaad, als hij consequent is.

Zie hoofdstuk VIII.

Sluiten