Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat wij iets op' die pharizeërs geleken.

Niet ten kwade, maar ten goede.

Op het centraalstation te Amsterdam zag ik in de derdeklas-wachtkamer een jongen boer, die zijn papiertje open rolde, er een broodje uithaalde en een gebed deed. In alle onschuld.

Ziet ge, zoo iets durven wij niet!

Neen, (antwoordt gij) zoo iets willen wij niet.

Goed, maar gij durft ook niet.

We zeggen maar, dat we het een schijnvertooning vinden, 't niet eens willen doen, |_er boven verheven zijn; en weet ik al niet wat fraais meer.

Ja, maar wij durven ook niet; dit is óók een voorname reden van onze „binnenkamerigheid"; en deze valsche schaamte, . . . . daar zwijgen we van;] o wij huichelaars!

Zoo is dan nu de dag gekomen — voor ons — dat de tekst der Bergrede moet worden op zijn kop gezet. En moet luiden aldus: „En gij wanneer gij godsdienstig zijt, zoo zult gij niet zijn gelijk „de geveinsde ..verlichten"; want die plegen gaarne in hun binnenskamer te blijven, de deur gesloten hebbende, (bewerende zulks ,','te doen uit kieschheid en zie het is lafheid); maar gij, wanneer . ,gij godsdienstig zijt, gaat in de synagogen en staat op de hoeken ,[der straten (als gij durft!), opdat gij van de menschen gezien „moogt worden;

„want men steekt geen kaars aan en zet die onder eenen koren„maat, maar op eenen kandelaar, en zij schijnt allen die in het „huis zijn.

Sluiten