Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze zeven beginselen worden in twee groepen verdeeld: AtmaBuddhi-Manas vormen de drieëenheid in den mensch, die onvergangelijk, onsterfelijk is, de "pelgrim" die tallooze levens doorloopt, de Individualiteit, de Ware Mensch, Karna, Prana, Etherisch Dubbel, en de Sthüla-Sharira vormen de vierheid, het vergankelijk deel van het menschelijk wezen, de Persoonlijkheid, die langzamerhand verdwijnt na den dood van het stoffelijk lichaam. Dit laatste ontbindt, de molekulen van stoffelijke en astrale stof vinden alle nieuwe vormen waarin zij ingevoegd worden en hoe sneller zij alle tot de oorspronkelijke elementen terugkeeren hoe beter voor iedereen. Het bewustzijn van den normalen mensch zetelt voornamelijk in het stoffelijke en astrale gebied en in het laagste gedeelte van het Manasisch gebied. In vonken van genie, in de meest verheven aspiratiën, wordt de mensch voor één oogenblik door het licht uit de hoogere Manasische gebieden beschenen, maar dit komt slechts tot de weinigen en tot dezen slechts in zeldzame oogenblikken van de allerhoogste inspiratie. Gelukkig zij, die, al is het maar voor één oogenblik, een straal mogen opvangen van den Goddelijken Augoëides, van het onsterfelijk Ik in hen. Behalve aan de Meesters is het volgens de wet der ontwikkeling in den tegenwoordigen tijd aan niemand, die uit een vrouw geboren is, gegeven tot de gebieden van Atma en Buddhi in den mensch op te stijgen; daartoe zal het ras eerst na milioenen jaren geschikt zijn maar thans is het doelloos daarover te spreken.

Ieder dezer gebieden nu heeft zijn eigen organismen, zijn eigen verschijnselen, de wetten zijner eigen openbaring; en ieder gebied kan even nauwkeurig, even wetenschappelijk, even proefondervindelijk onderzocht worden als het objektieve gebied waarmede wij het best bekend zijn. Wat daarvoor noodig is, is alleen het gebruik van geschikte waarnemingswerktuigen en geschikte wijzen van onderzoek. Op het objectieve gebied zijn wij reeds in staat dit voorschrift te volgen; wij gebruiken onze oogen niet om naar geluiden te luisteren om daarna te ontkennen dat geluiden bestaan ondat wij ze met onze oogen niet kunnen hooren; evenmin nemen wij een mikroskoop ter hand om een verafgelegen nevelvlek te onderzoeken en zeggen daarna dat de nevelvlek er niet is omdat het veld van den mikroskoop donker blijft. Een weinig kennis van ons eigen objectief Heelal brengt ons verstandelijk in de juiste houding tegenover het onbekende. Hoe komt het dat wij zien, hooren, proeven, ruiken en voelen? Alleen omdat ons stoffelijk lichaam in staat is langs den weg der zinnen sommige indrukken van buiten te ontvangen. Maar er bestaan myriaden verschijnselen, even "werkelijk" als die waarmede wij vertrouwd zijn maar die voor ons niet bestaan om de zeer eenvoudige reden, dat onze organen niet geschikt zijn om ze waar te nemen. Beschouw bijvoorbeeld de luchttrillingen die wij, wanneer ze tot ons bewustzijn gebracht zijn, geluid noemen.

Wanneer een muziekinstrument dat opeenvolgende tonen voortbrengt, in een vertrek bespeeld wordt waarin zich een dozijn menschen bevinden, en de tonen al hooger en hooger worden, dan wordt het getal van hen die iets hooren, hoe langer hoe kleiner, de een na den ander kan slechts volslagen stilte waarnemen terwijl er toch een toon wordt voortgebracht die voor enkele aanwezigen nog steeds hoorbaar blijft; eindelijk wordt door een snaar een toon voortgebracht dien niemand meer hoort, en hoewel alle lucht in het vertrek medetrilt, heerscht er volkomen stilte.

De trillingsgolven zijn zoo kort en zoo snel geworden dat de bewerktuiging van het menschelijk oor niet meer ka n medetrillen; het objektieve verschijnsel is werkelijk daar, maat het subjektieve

Sluiten