Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Schrift-verheerlijkers van onze dagen gaan de onderscheiding der geesten verliezen, of ze waarlijk belijden, datjezus Christus in het vleesch gekomen is, al dan niet (i Joh. 4 : 1 v.v.).

Daarom werden en worden wij naar onze heilige religieuse overtuiging om der waarheid wil gedrongen, Goddelijke harmonie te zoeken in de verhouding tusschen woord en Geest. De een mag niet eenzijdig worden gesteld boven den ander. Vast te houden aan »de autoriteit der Schrift« en te ijveren tegen hen, die in den Geest roemen, voert op even gevaarlijke dwaalwegen als dat men, Geest-drijver wordende, alle geschreven getuigenis, die de Heer de eeuwen door deed toebereiden, verachten gaat.

Daarom hebben wij het duidelijk en beslist uitgesproken : »Drie getuigen zijn er aangaande de Goddelijke waarheid: Gods Geest in ons ; Gods Geest in schepping en gemeente (daarmede doelen wij op de »Herschepping«); Gods Geest in de Schrift* (Redelijkheid der Religie, bldz. 40).

Waarom verstaat men het dan niet, dat het ons te doen is om de volle waarheid gelijk ze door den Heer zelf is gewild? Wij begeeren geen eenzijdigheden, noch naar den Geest, noch naar de Schrift.

Kan of wil men ons niet verstaan?

Waarom schrijft Ds LINDEBOOM dan, dat ik mij boven de Schrift plaats? (bl. 5—6).

Waar heb ik dat gezegd?

Hoe kan hij, mij bestrijdende, het luchtig uitspreken: »Indien het Goddelijke tot ons gekomen ware in den weg van gewone mededeeling door menschelijke overlevering, dan zou den zondigen mensch de onmogelijke taak zijn opgelegd, het goddelijke van het menschelijke te scheiden* (bldz. 11).

»De zondige mensch!«

Wie zoude dat ook leeren?

Is er dan geen verschil tusschen den natuurlijken en den wedergeboren mensch »die niet meer zondigen kan omdat het zaad Gods in hem blijft» (1 Joh. 3 :9).

Sluiten