Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

karakter, temperament, en verder zoodanige uitdrukkingen, die evenals hart ontleend zijn aan lichamelijke organen : buik, nieren, ingewanden. Het meest echter wordt het woord hart gebezigd als aanduiding vau het orgaan, waardoor de mensch leeft, en dus als middelpunt van zijn geestelijk bestaan, gelijk het eigenlijke hart in lichamelijken zin orgaan en middelpunt is van zijn lichamelijk leven. Uit het hart zijn de uitgangen des levens. ') En met hart wordt dikwijls verstand saamgevoegd als het orgaan, waardoor de zelfbewuste geest des menschen denkt en wil en de dingen in en buiten zich zoekt te verstaan. Aangezien echter het onstoffelijk bestanddeel des menschen het meest door siel wordt aangeduid, bedienen wij ons het liefst van dit woord eu zeggen we dus, dat de mensch geschapen is lichaam en ziel.

c. LICHAAM EN ZIEL IN VERHOUDING TOT ELKANDER.

Zijn aldus lichaam en ziel de beide bestanddeelen, die in hun eenheid den normalen mensch vormen, zoo spreekt het vanzelf, dat deze beide bestanddeelen niet zelfstandig naast elkander bestaan of ieder hun eigen weg volgen, maar dat zij op het nauwst met elkander moeten verbonden zijn en alzoo op gansch natuurlijke, zij het ook voor ons onverklaarbare wijze op elkander invloed oefenen en op elkander inwerken.

De Schepper heeft ziel en lichaam in zulk een verhouding tot elkander geplaatst, dat het eene bestanddeel niets doen of niets ondergaan kan, zonder daarmee invloed te oefenen en in te werken op het andere bestanddeel. Wat aan of door de ziel geschiedt, gaat niet buiten het lichaam om, en wat aan of door het lichaam geschiedt, gaat niet buiten de ziel om. Er is een gestadige wisselwerking tusschen ziel en lichaam, tusschen lichaam en ziel. Al kunnen we het hoe van deze wisselwerking niet verklaren, — dat zij werkelijk bestaat, kan niet worden betwijfeld : de ervaring van iederen mensch leert het.

Of teekent zich de gesteldheid der ziel niet af in het gelaat, den blik, de stem, de houding, den gang, de gebaren, de be-

1) Spr. 4 : 23.

Sluiten