Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weêr nieuwere banen van wetenschap en zedelijkheid zich openen. Van Kol zegt in zijn boek „Socialisme en Vrijheid," dat de verdere demoralisatie van het volk alleen is tecren te gaan door het socialisme. De „verdere;" dus't evolutie-proces heeft nog niet veel gegeven; 't zou al heel vreemd zijn, bijaldien in de socialistische saamleving, welke volgens die ieer gevolg zal zijn van de evolutie der maatschappij, — op eens de mensch van slecht tot goed is veranderd. Dat ware al een heel rare soort evolutie. Dat de socialistische saamleving echter het kwaad zou beperken, enz. is wederom gelogenstraft door der socialisten eigen leer; n.1. de socialistische saamleving is evenzeer een stuk van het geheel der groote evolutie, als ook onze tegenwoordige hot dan zou ziju, — leert het socialisme. Men geeft dan n.1. toe, dat deze onze maatschappij beter weêr is, dan die uit den tijd der roofridders; en zoo zal de socialistische saamleving weêr de onze overtreffen. Maar nu zeo-t v. Kol in een zijner geschriften, dat de „roofridders" van vroegei niets slechter waren dan de „roof-bezitters" van thans. Maar dan ben ik zoo vrij op te merken: dat de vooruitgang door al die stadiën van evolutie heen, niet zeer groot is geweest. Zou men dan wezenlijk gelooven, dat in de socialistische saamleving, welke weêr beter zou zijn dan onze, het kwaad in den wortel ware aangetast en weggenomen, wanneer n.1. die socialistische saamleving, evenzeer slechts een stukje van het, evolutie-proces is ? De woorden der socialisten-zelf hebben hier uitspraak gedaan.

Kén van de twee. we hebben dan ook dezen stroohalm der „evolutie-leer," waaraan men zich poogt vast te houden los te laten; en dan wordt de wijsgeerige grondslag aan het socialisme ontnomen; óf men zal hebben te belijden, dat door louter stoffelijke verhoudingen en veranderingen van het wezen der menschen niets wordt veranderd, „als van nature geneigd tot alle kwaad en onbekwaam tot eenig goed."

De geschiedenis der eeuwen is niet die van den strijd tusschen twee klassen, maar van den strijd tusschen geloof en ongeloof, tusschen goed en kwaad; tusschen het zaad der vrouw, en het zaad der slang.

Zonder harts-verandering geen wezenlijke en blijvende oplossing der kwestie. ' '

Dat op den bodem aller kwesties het vraagstuk der zonde ligt, valt niet te ontkennen, en het blijkt ook in dit geding Of particulieren onze baas zijn, en of de Staat de eene groote baas is; bij een hart, onbeteugeld, tot zondigen vrij, is er niet veel heil te verwachten. Immers, die „Staat" komt ook door menschen tot openbaring en handelen. In den Sociaal-

Sluiten