Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mag het alzoo vast staan, dat het anti-revolut. standpunt juist medebrengt, op het aller klemmendst, om daadwerkelijk tegenover den socialen nood op te treden, dan rijst nu in de tweede plaats de vraag: op welke wijze dient dit te geschieden?

Ons antwoord op deze vraag bedoelt hier niet een algeheele uiteenzetting van dit optreden. We beantwoorden deze vraag slechts in verband met ons onderwerp.

Moet n.1. bij 't aanschouwen van onrecht en lijden oogenblikkelijk de overheid worden geroepen en haar opgedragen dit alles „kantjes en klaar" op te knappen? Of hoe dan? Ons antwoord luidt, (zie boven als punt 2) „de opwekking

van het particulier initiatief dient vooraf te gaan."

* *

*

B. Be opwekking van het particulier initiatief dient vooraf te gaan.

Vooraf te gaan aan de bemoeiing der overheid. Voornamelijk om twee redenen. Ten eerste, opdat de overheid liefst niet meer als haar taak zich zie aangewezen, dan te sanctioneeren (als wettig en recht te bestempelen), wat door de actie van het volk zelf wordt tot stand gebracht; en wat in dezen als goed en recht mag beschouwd worden. Ten tweede, opdat de overheid zoo min mogelijk als overheid hier optrede in daadwerkelijke bemoeiing; dus ter voorkoming van dusgenaamde staatsbemoeiing; doordien n.1. veel door particulier toedoen in de maatschappij worde verbeterd. —

't Behoeft geen betoog, dat ook bij dit punt ons een rijke veel omvattende stof wordt aangeboden. We zullen niet trachten dit alles te bespreken, 't Ging onze kracht allicht te boven; 't is ook niet noodig bij dit onderwerp. Alleen wijzen we op enkele zaken, als voorbeeld, en als in verband met ons onderwerp.

Vooreerst zij opgemerkt, dat het wederom is naar het beginsel des Evangelies, dat overheid s-bemoeiïng, ook op sociaal terrein, niet dan in het uiterste geval worde gevraagd en verschaft.

Het Evangelie toch leert daartoe te zeer de belangrijkheid, de verantwoordelijkheid van het individuëele, van het persoonlijke, en ook van het vrijwillige. — Het Evangelie leert, dat de Goede Herder al Zijne schapen kent bij name; dat niet één dier „kleinen" bij God is vergeten; dat bij afdwaling van één enkele, de 99 voor een wijle als aan hun lot worden overgelaten, en de Herder Zich der moeite getroost, dat ééne schaap te gaan zoeken, totdat Hij het vindt. Dit alles spreekt nu wel inzonderheid van de liefde des Heeren voor ieder van

Sluiten