Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoon, smaad, lijfs- en levensgevaren, ballingschap, armoe en gebrek, trouweloosheden van alle bedenkelijke zijden, nachtwaken, zwerven en zwoegen, met allerhande verdrukkingen zijn mooglijk nooit in zulk eene aanhoudende ophooping en overstelping aan eenig mensch in den loop van een eeuw tijds overkomen, als mij van t begin mijner heugenis tot heden 1). Indien hij drie dagen van zijn leven kiezen moest om weer te herhalen, hij zou er geen weten 2). Het leven was hem geen genot, maar een last, zwaarder, dan zijn zwakke schouders paste, een samenweefsel van verdrieten, eene straf, die hij met moeite droeg. Van zijne jeugd afaan had hij reeds naar den dood verlangd. In zijn Afscheid van het jaar 1811 zegt hij, in groote overdrijving, dat hij reeds in de wieg lag te schreien van verlangen naar den dood :

'k Zocht voor zesmaal negen jaar De moederlijke borst, en, van die borst, de baar.

'k Lag in mijn wiegj' alreeds met natbeschreide wangen In 't dorsten naar de dood te smachten van 't verlangen. 3)

Voortdurend aan zijn klachten zich overgevende, vervloekte hij soms zijn geboortestond 4):

Ik haat het leven dus, als elk een voedsel haat,

Dat sap- en smaakloos walgt, en d' eter nooit verzaadt. O God! hoe hard is 't lot, waartoe ik werd geboren! Ja, 't leven is me een straf, en — zonder nut verloren. Vertrappeld in het slijk op dees gevloekten grond,

Verwensch ik 't oogenblik van myn geboortestond.

bene enkele maal, in 1810, kwam het zelfs zoover, dat hij, der wanhoop nabij, indien God het niet verhoed had, aan eigen leven de hand zou hebbeu geslagen 5).

Maar ter andere zijde, Gorter heeft terecht opgemerkt, dat ook in Bilderdijks zwartsten tijd, tusschen de onheiligste uitbarstingen van wrevel en bitterheid door, zich nog stille berusting, vast vertrouwen en roerende dank een weg banen 6). Kr kwamen oogenblikken, waarin Bilderdijk de heerlijkheid en de weelde van het leven erkende. Trouwens in de periode van zijn leven,

1) Brieven II 260. 2) Brieven II 230. Dichtw. V 62. 3) Dichtw. IX 108. 4) Dichtw. XII 173.

5) Da Costa, De Mensch en de Dichter, bl. 247v. Van Vloten, Bloemlezing uit de dichtwerken van Mr. Willem Bilderdijk, 1869 bl. 432.

6) S. Gorter, Letterk. Studiën, 2de druk, 1881 bl. 118.

Sluiten