Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ofschoon het leven een samenweefsel van verdrieten was, toch bracht hij er Gode dank voor toe 1):

Dank echter! Oorsprong van het leven!

Dat mü uw wil in 't aanzijn riep:

Schoon ook myn uitzicht hier moest sneven!

Ik leerde U kennen, die mij schiep.

God is een bron van leven, heil en zegen, zijne weldaden zijn ontallijk, zij rijzen ieder morgenstond, maar duiken met geen avondstralen noch draaien met den hemel rond. Maar de inensch zelf is oorzaak van zijne smart en schept zich ramp op rampen uit alles, wat Gods gunst hem schenkt 2). Bilderdijk weet, dat louter vreugde voor den uiensch niet goed zou zijn 3);

Wij, wij smeeken (dwaze menschen) immer vreugde, nimmer pijn,

Maar Gy zyt te goed, o Vader, om ons immer goed te zijn.

Daarom erkent hij, dat ook pijn en duizend lichaamskwalen giften zijn, die God zendt tot ons heil 4), onderwerpt hij zich aan Zijn wil, en vindt daarin vrede en rust.

Een ander gebrek, dat bij Bilderdijk spoedig opvalt, is zijn hoogmoed en ijdelheid. Niet alleen ging hij trolsch op zijne vermeende adellijke afstamming en vorstelijk bloed, maar hij was ook meer, dan met ootmoed en nederigheid bestaanbaar is, van het geheel eenigo zijner persoonlijkheid zich bewust. Hij roemde in zijne onafhankelijkheid, verhief zich op zijne deugd en stelde zijne eer in de zuiverheid van zijn geweten, in het pal staan voor recht en waarheid, in het verdedigen der verdrukte onschuld.

Zijne leus was naar zijn eigen zeggen :

De nepen Der zvveepen

Maar de oogen Ten hoogen

Van weerspoed en leed,

Tot Jezus gewend, Verblijden We in 't lijden En loven die 't zendt. 5)

Ontparsten Den hardsten

Wel somtijds een kreet;

Met hart, met mond, met pen en rechterhand, Getrouw aan God, Oranje, en 't Vaderland. 6)

1) Dichtw. V 11. 2) Dichtw. V 62, 63. 3) Dichtw. XII 38. 4) Dichtw. XI 232. 5) Dichtw. V 256. 6) Dichtw. VIII 379.

Sluiten