Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van aijn veertigste jaar af laat hij het ons bij iedere gelegenheid hooren, dat hij achteruitgaat, dat zijn geest vermindert, zijn geheugen verzwakt, zijn oordeel verstompt, maar hij toont tot een jaar vóór zijn dood eene werkkracht, die verbaast. De klachten over zijn lijden verstommen nooit, en toch was zijn hart evenzeer als zijn verstand ervan overtuigd, dat dit lijden eene weldaad voor hem was 1). Hij geloofde vastelijk, dat in afhankelijkheid alle geluk, in individueele vrijheid het grootste jammer voorden mensch en voor alle schepsel gelegen was, en toch was zijn gansche gedrag er op uit, om eene volstrekte onafhankelijkheid deelachtig te worden, en alle betrekking met menschen te doen ophouden 2).

Diepe behoefte had Bilderdijk aan liefde, aan sympathie ; hij wilde philantroop uit behoefte des harten zijn, en zocht naar waarheid, rechtheid en ineensmelting van zielen ; maar hij vond logen, slingering en zelfzucht 3). Van nature was hij verlegen, beschroomd, schuw voor menschen, een minnaar der eenzaamheid ; maar deze eenzaamheid was voor hem noodig, om zelfstandigheid, onafhankelijkheid van oordeel, vertrouwen op eigen inzicht te leeren. En deze zelfstandigheid en oorspronkelijkheid maakte hem later in den tabbaard strijdbaar 4). Een reuzengeest aan de eene zijde en in zijn tijd facile princeps op elk terrein, waarop hij zich bewegen wilde, was Bilderdijk toch andererzijds in velerlei opzicht een groot kind, waarmede men veel geduld moest hebben en heel voorzichtig moest omgaan 5\ Door zijn genialen aanleg zag en greep hij menigmaal de waarheid, maar door gebrek aan nauwkeurig wikken en wegen maakte hij zich aan menige overdrijving en oppervlakkigheid schuldig 6). Tot in het laatst van zijn leven toe een kind der achttiende eeuw blijvende, was hij toch een der vaderen van de negentiende eeuw 7).

1) Gesch. des Vad. XIII 29. 2) Gesch. des Vad. XIII 30, 34.

3) t. a. p. bi. 30, 33.

4) Dichtw. I 53. Vergelijk Kollewyjn II 394 v. 425.

5) Kollewijn II 424.

6) Kollewijn II 395 v. Pierson, Gids Maart 1886 bl. 404. Te Winkel t. a. p. 28 v.

7) Schimmel bij Jonckbloet bl. 3 zegt minder juist: wij mogen het betreuren, dat Bilderdijk, met de grootsche gaven hem geschonken, op de grens van twee eeuwen verscheen en daardoor aan geene toebehoort. Want Bilderdijk verscheen niet op de grens, maar leefde 44 jaren in de 18e, en 32 jaren in de 19e eeuw, en behoort daarom tot beide.

Sluiten