Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitgieting van het overstelpt gemoed gelden wil. Bilderdijk is een van die ,/groote ontevredenen" in de geschiedenis van ons geslacht, die zoo ontzettend hebben kunnen haten, omdat zij zoo grenzeloos hebben liefgehad.

De meening, dat men met een man als Bilderdijk heeft afgerekend, als men al zijne gebreken heeft opgesomd, als men aangewezen heeft, dat hij heerschzuchtig, hoogmoedig, zinnelijk was, dat er voor hem maar één middelpunt in de wereld was, nl. zijn eigen ik, zulk eene meening is de oppervlakkigheid zelve. Busken Huet mat in den Nederlandschen Spectator van het jaar 1800 de onvolkomenheden breed uit, die Bilderdijk als mensch en als dichter aankleefden; en tegenover eene \alsche apologie, die verdedigt wat voor geene verdediging vatbaar is, was hij ten volle in zijn recht. Maar later erkende hij zelf, dat met deze critiek het laatste woord over Bilderdijk niet gesproken was 1). Zoo is het ook gesteld met de beschuldiging, welke eerst door Van Moten, daarna door Te Winkel en Kollewijn tegen Bilderdijk is ingebracht, dat hij geen man van karakter is geweest, of, gelijk laatstgenoemde het in meer zachten vorm uitdrukt, dat hij weinig karakter in den engeren zin des woords heeft bezeten 2). Als men alleen let op den buitenkant zijner persoonlijkheid, op de snelle wisselingen van zijne stemmingen, op de tegenstrijdigheden, die in zijne natuur voorkomen, schijnt er voor deze aanklacht eenige grond te bestaan. Maar wie bij hem, evenals bijv. bij een Luther, doordringt tot de kern van zijn wezen, ontvangt een diepen indruk van de standvastigheid van karakter, welke Bilderdijk van zijn eerste optreden af tot het einde zijns levens toe vertoont. Om in het einde der achttiende eeuw op te treden tegen den alles bedwelmenden geest der «Aufklarung", daartoe was eene vastheid van overtuiging, eene kracht des geestes en eene onverzettelijkheid van wil noodig, als waarvan wij ons thans geene voorstelling kunnen vormen. IJdelheid noch hoogmoed verklaart zulk een optreden. En veel juister oordeelde Busken Huet, als hij, den moed indenkende, die tot zoodanig protest vereischt wordt, Bilderdijk in zijne onweerstaanbare kracht bij

toJI J?mken Huet, Litterarische Fantasiën. Vierde Reeks. Haarlem J.öö7 bi. 96 v.

2) Te Winkel t. a. p. bl. 60. Kollewijn II 381.

Sluiten