Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

God, die om zijn schepsel zwevend, 't Harte dryft ons tot beminnen,

Aldoorstralend, alomgevend, Zelfverzaken, zelfverwinnen,

Niets zichzelven overlaat, Mededeelen is genot.

Stelde't aan geen blindlings woelen; 't Gruwt van haten, heilverstoren,

Maar een innig zelfgevoelen, En, tot liooger kring geboren, Scheidt het weldoen van het kwaad. Haakt het brandend naarzijn 6od!

't Is alleen de valsche Reden Zij is 't, die met ijdel schiften,

Die, met Gods bestel t' onvreden, Drift in weerspraak brengt met

Dus Zyne inspraak wederstreeft, [driften ;

En in de oorzaak waant te dringen De uitspraak van het hart verstoort;

Van het geen ons, stervelingen, En de roepstem van 't geweten,

De Almacht ingegriffeld heeft. In dien warstrijd doof gekreten,

God ten hoon, baldadig smoort.

Zalig, die onnoozle dagen,

Toen men, zonder redenvragen

't Hart slechts hoorde, vol van God !

't Was, het goed en kwaad te zoeken,

Dat de dood en alle vloeken Heeft verbonden aan ons lot. 1)

Om deze verheffing der rede besloot Bilderdijk dan ook voor zichzelf geen wijsgeer meer, maar waarlijk niensch te zijn 2). Doch dit scherpe oordeel, door Bilderdijk telkens over de wijsbegeerteuitgesproken, gold niet de philosophie op zichzelve, maar alleen die, welke vroeger en later en vooral ook in den tegen woord igen tijd de openbaring Gods in natuur en Schrift miskende en de waarheid alleen uit de rede wilde afleiden, dus de eigenlijke rationalistische philosophie van zijn tijd. Van de wijsbegeerte op zichzelve was Bilderdijk zoo weinig afkeerig, dat hij reeds in zijne jeugd vol was van metaphysique beginsels en uit zichzelven zoo wat logica, mathesis, metapliysica schiep'3). In 1777 beantwoordde Bilderdijk een prijsvraag van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden over het verband van dichtkunst en welsprekendheid met wijsbegeerte, maar de verhandeling werd later door hemzelf ongunstig beoordeeld en als kinderwerk aangemerkt 4). De „wantilozotie", die aan het verstand een opperen wetgevend, een hoofdgezag toekent en met dat verstand, de eene duizend jaar voor, de andere duizend na, een overvloed

1) Dichtw. VIII 185. Verg. ook nog XIII 111, 885, 344. XIV, 44, 242, 250, 275.

2) Dichtw. VII 75. 3) Brieven II 106. 4) Kollewijn I 94 v.

Sluiten