Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelfbewustheid, de zelfgenoegzaamheid der deugd, de roem der plichtsbetrachting, welke hem in dat stelsel aantrok. Maar deze sympathie voor Zeno en zijne school was meer schijn dan wezen. In den grond bestond er altijd tusschen hem en deze wijsbegeerte een diep verschil; ten eerste had Bilderdijk van zijne jeugd af een diep besef vtau de afhankelijkheid aller schepselen van God, en ten andere was zijne gevoelige natuur op Stoische apathie hoegenaamd niet aangelegd. Zelf heeft hij dit later meermalen, vooral in zijn Stoiciamus erkend :

Van niets afhankl\jk zijn, zegt Epicteet, is heil.

En waarvoor, Filozoof, is dat geluk dan veil?

„In niets genieten, en niets hopen, vreezen, wenschen,

„En, met gevoelloosheid wat voorkomt te ondergaan".

Wel, dit 's geluk van steen, maar geen geluk van menschen, 'k Begeer geen steen te zijn, maar wil als mensch bestaan.

Doch zacht, bedenken we eens! Het goede is moogiyk minder Dan 't kwade, en 't leven vol van kwelling, smart en hinder. Wanneer ik d'arm eens breek, bevrijdt me uw leer van pijn?

„Heb slechts een vasten wil, en wil de ptfn niet voelen". — Maar 't willen kan toch nooit de daad in werking z\jn En 't wit bereiken is iets anders dan 't bedoelen.

Is dat, o Stoicijn, uw onafhanklijkheid Waarop ge uzelf verheft, waarmee ge uw leerling vleit?

Ze is niets. De daad eischt meer dan 'tzich vergodend willen. Neen, wat wanneer 't ontstond zichzelf 't bestaan niet gaf Hangt van zichzelf alleen niet af,

In spijt van hoogmoeds hersengrillen. 1)

Ook de empirische philosophie, die door Bacon werd ingeleid, had zijne instemming niet. Wel erkende hij ook daarin een bestanddeel van waarheid. Daar is, zoo zegt hij, een Hlozofie, welke zich op waarnemingen grondt en deze rangschikt. De wijze inzichtsvolle Bacon van Verulam wees dien weg, en men heeft dien sedert in 't geen de natuur- of lichaamlijke wereld betreft, trouw bewandeld. Maar waar voert deze weg heen ? Tot kennis van waarnemingen, van verschijnselen, en een vergelijking van die verschijnselen onderling, waardoor men verscheidene van die als in één algemeen verschijnsel vervat, leert beschouwen. Dus verre wel en juist! 2) De empirische methode heeft dus

1) Dichtw. XIV 270. Verg. XV 240. Nieuwe Mengelingen I 216.

2) Verhandelingen, ziel-, zede- en rechtsleer betreffende, Leyden 182.1 bl. 172,

Sluiten