Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn, grondig cn bondig weerlegd. Maar de aard der getallen, gelijk zij getallen zijn in ons verstand en in onze beschouwing, is niet de wezenlijke maar de schijnbare voor ons, en al onze begrippen, menschenbegrippen zijnde, zijn (zoodanig als zij zijn) valsch en niet elkaar tegenstrijdig, wanneer wij ze op God toepassen. Zoo is het niet de alomtegenwoordigheid, welke, plaats onderstellende, eene contradictio is; zoo is het met de onveranderlijkheid, die voor on3, veranderlijke en veranderende schepsels, onbegrijpelijk en strijdig is; zoo zijn rechtvaardigheid en barmhartigheid voor ons besef onderling wederstrevig en toch in God niet elkander cn mot alle eigenschappen zoo vereenigd, dat de oude les behartiging verdient, om Gode de eer van al zijne eigenschappen gezamenlijk te geven. Daar komt nog bij, dat onze taal, uitvloeisel zijnde van onze vereenigde geestelijke en lichamelijke bevattingen, de onvolmaaktheid van dezen deelen moet en dus niet uitdrukken kan dat boven on« H Ook de openbaring in menschelijke taal maakt hierop geen uitzondering. Zij drukt wel juist, maar niet volkomen uit, wat ons van en in God te gelooven, dat is niet het hart te erkennen, te eeren en te aanbidden (maar niet met het verstand te bevatten of onderling te vereffenen) noodig is.

Toch kunnen wij, bij de leer der drieëenheid, door eenige voor onze rede aanschouwlijke denkbeelden aan onze zwakheid eenigermate tegemoet komen. Wanneer de Allerhoogste schept, ~ wat is of wat kan dat zijn ? Het is denken, 't Geen God denkt, bestaat door dat denken ; zijn denken is waarheid; geen onderstellen, maar daurstellen. Geen indien, geen zoo V zijn mocht valt in God; alles in Hem is volstrekt en volkomen, en dus wat God denkt bestaat eo ipso. Denkt God iets buiten zich, het is scheppen, en dit scheppen geschiedt door den -4óyo<;, 't geen onverschillig is, of men het door Reden, door Rede, of Woord verklaart, daar het alle drie gelijklijk beteekent, en woord of rede wezenlijk de zich uitsprekende Reden is. Ziedaar derhalve de Schepping, en die Schepping wezendlijk uit niets, daar er buiten of voor die schepping niets buiten God was! — Doch zou God ook zichzelven niet denken? Voorzeker, maar Hij kan zichzelven niet buiten zich denken (want dan was hij God niet, buiten wien niets was), maar zichzelven denkende, denkt Hij zichzelven in zich. En nu is dat denken derhalve geen scheppen, geen daar-

Sluiten