Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aardig karakter. Ten eerste was ze door en door religieus ; ongemerkt gaat menigmaal de beschrijving van een of ander natuurverschijnsel in den godsdienstigen toon over. Alles is een beeld en gelijkenis, wijst heen naar eene geestelijke wereld, die er achter ligt en doet iets zien van de deugden en volmaaktheden Gods. Het schepsel heeft geen bestand in zichzelve ; het is zoo afhankelijk, dat liet van oogenblik tot oogenblik het aanzijn van God ontvangen moet. hn zoozeer legt Bilderdijk op deze afhankelijkheid den nadruk, dat hij de onderhouding eene voortdurende schepping noemt en soms aan de ziel de onsterfelijkheid van nature ontzegt 1). Maar de beteekenis van het schepsel ligt daarin, dat het eene openbaring Gods is.

Beschouw Hem in 't heelal, in lucht, en stargewelven !

Daar, daar is 't dat Hij woont; daar, waar zijn adem zuist, En wie hem tracht te ontvliên ontzachlijk tegendruischt. Het buldren van den storm, het daavrend onweêrklateren, Het schomm'lend boschgewei, het stoomgebruisch der wateren, Het spieglen van de beek, en 's luchtstrooms orgelkracht, De morgenluister, en des afgronds donkre nacht,

De bliksem in den schoot der zwangre donderwolken, Het wemerend gediert in wouden, holen, kolken,

En 't geen uw voet vertrapt in 't ongeachte zand Het toont u 't eeuwig zijn en Zijne aanbidbre hand. 2)

Het spreekt vanzelf, dat hij, van dit standpunt uit de natuur heziende, geen vrede hebben kon met het materialisme, dat alles uit stof en stofwisseling verklaren wilde. Met de voorstanders dezer leer dreef hij, hen aldus sprekende invoerende, jammerlijk den spot:

Ja, alles is wel één; maar 't stof is onderscheiden,

Naar 't meer volmaakt is. Steen of heesters aan de heiden Verschillen; 't een is meer volkomen, 't andere min;

Daar schuilt dit onderscheid van wat bestaan heeft, in.

Wy zijn wat meer volmaakt; wat minder, knotlookscheuten; Iets minder, champignons; nog minder, peperneuten.

Dat gaat zoo dalende af; doch wij, wij zijn het meest; En hooger is er niet, geen Godheid en geen Geest.

Maar onze hoogheid moet gestaag nog hooger stijgen;

Lees Kant en Fichte slechts, die zullen 't u bewezen. En immers zijn wij ook veel verder in deze eeuw,

1) Nieuwe Mengelingen I 277v., 284. 2) Dichtw. V 169.

Sluiten