Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V.

WERELDHARMONIE.

Voor deze materialistische en pantheïstische natuurbeschouwing stelt Bilderdijk een ander wereldbeeld in de plaats, waarvan niet het stoffelijke maar het geestelijke den achtergrond uitmaakt. Zoo sterk mogelijk komt hij er tegen op, dat de natuur alleen het lichaainlijke zou zijn en dat die wetenschap, welke het nietlichaanilijke tot voorwerp heeft, den naam van bovennatuurkunde zou dragen, als ging zij de natuur te boven. Eene onderscheiding van natuur- en bovennatuurkunde, van natuur- en geesteswetenschappen heeft voor hem alleen de beteekenis van eene methodische, nooit van eene zakelijke, objectieve indeeling. De natuur in eigenlijken, vollen zin is al het geschapene samen, de eenheid van het lichaainlijke en het geestelijke, van het natuurlijke en zedelijke, Gods beeld afspiegelende in zijn werken,

't Oneindige uitgedrukt in 't eindig van heur perken,

Zijn wijsheid, goedheid, macht, in 't krachtloos stof geprent. 1)

Terwijl al het geschapene zijn bestand aan God ontleent en zijne volmaaktheden ten toon spreidt, spreekt het vanzelf, dat het lichaainlijke, het stoffelijke niet gescheiden naast het geestelijke kan staan, niet van het geestelijke ontbloot kan wezen, tnaarzelf ook in het geestelijke rusten moet. Bilderdijk spreekt zich dikwerf nog veel sterker uit en zegt dan, dat het stoffelijke geen wezen heeft in zichzelf, dat het niets anders is dan beeld, symbool, aanduiding van het geestelijke. In zijne Geextenwareld roept hij uit :

1) Dichtw. V 173.

Sluiten