Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geheele openbaring, zelfs alle historische waarheid, bij zijne eigene letterlijke beteekenis en historischen zin, eene tweede heeft, die op de verlossing, den Heiland, zijn lijden en zegepraal slaat, houde ik voor zeker. Ja hij gaat nog veel verder en schrijft aan alle dingen, verschijnselen en gebeurtenissen eene allegorische beteekenis toe. Alles is naar zijne nieening allegorie van éénzelfde factum : Gods weg niet den mensch, en 's mensehen weg jegens God. Dat ook de dieren op gelijke wijze als allegorien zijn aan te merken, dat de planten, dat alle voorwerpen in de natuur allegorien zijn met opzigt tot God en den mensch, begrijpe ik even zoo; en van daar de cereinonienwet 1).

Deze mystische natuurbeschouwing stelt de verwantschap in het licht tusschen Bilderdijk en de romantische natuurphilosophie, welke in de achttiende eeuw, uit reactie tegen de «Aufklarung", bij mannen als Oetinger, Hamann, Lavater, Claudius, Jung Stilling, aan het woord kwam en dan in Schelling haar wijsgeerigen tolk ontving. Aan al deze mannen is gemeen een vast vertrouwen op de onmiddellijkheid des gevoels, op de kracht en innigheid des geuioeds, op de macht van het genie en de intuitie. Poëzie is voor hen de moedertaal der menschheid en nauw aan de profetie verwant. De Oostersche taal der H. Schrift is geen beeldrijke uitdrukking, maar met het geestelijk karakter der openbaring in overeenstemming. De mensch is beeld Gods en daarom ook mikrokosmos, middelpunt en samenvatting der gansche wereld. De natuur is eene openbaring Gods, alle lichamen en verschijnselen in de zichtbare natuur verkondigen Hem, den Onzienlijke ; en wijl God in de natuur wordt gezien, moet ook heel da natuur in Gods licht worden beschouwd. De geschiedenis der wereld is eene allegorie van de geschiedenis des heils, en Christus is de oplossing van alle raadselen der wereld en der menschheid. Dat zijn de gedachten, die deze mannen beheerschen 2), en het zijn dezelfde, die ook bij Bilderdijk ieder oogenblik terugkeeren. In de hervonden gemeenschap met God hervinden zij ook weer de levende natuur, omdat zij God in haar vinden. God is niet verre, zoo klinkt het van hun aller lippen, maar Hij is nabij;

1) Opstellen II 77. Verg. de verhandeling over Allegorie, Opstellen II 57—63.

2) Verg. Ehrenfeuchter, Christenthum und moderne Weltanschauung. Qöttingen 1876 bl. 248v.

Sluiten