Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijne uieening aan niemand op, acht ze van zwarigheden niet vrij, doch houdt ze zelf niet voor onmogelijk 1).

W at hiervan verder ook zij, Bilderdijk was in ieder geval van meening, dat er in allerlei opzicht een zeer groot onderscheid bestaat tusschen den toestand vóór en na den val. Adams vallen trof alle schepselen, aarde, zee en lucht, menschen- en dierenwereld. De aarde werd er door vervloekt, de natuur verstoord, onweders, stormen, donder en bliksem en hagelslag waren er het gevolg van ; de dieren werden erdoor verwilderd -). Insecten, adderen, wormen, horzels enz. zijn eerst na den val ontstaan ; de slang was vóór die gebeurtenis een geheel ander wezen, inenschvormig in gedaante ; de verscheurende dieren kregen hun woesten aard eerst na dien tijd 3). De dood, die eerst in geheel de schepping onbekend was, trad in de gansche wereld in, niet in den zin van vergaan, want vergaan is onzin, maar het leven zelf is nu een sterven, het zijn is beginsel van vergaan geworden, de dood treft thans alle schepselen ; wat aarde is, moet sterven 4). V ooral de mensch is door den val getroffen, niet alleen geestelijk, godsdienstig en zedelijk, maar ook wat heel zijn zieleleven en al de vermogens van zijn geest aangaat; zelfs zijn lichaam is erdoor verwoest. Wel was ook vóór den val het lichaam uit het stof der aarde gevormd. De mensch was ook toen een adernspat van geest, aan 't klompjen klei gepaard 5), een niet, een ontnietigd niet, maar waaraan God de eeuwigheid schonk 6), een heerscher, die God op aard moest heeten, een pronkstuk, dat God-zelf in 't stoflijk overkleed des lichaams (aarde en slijk !) voor 't zintuig schitteren deed 7). Maar toch 's menschen lichaam is door de zonde vergroofd en verstofiijkt 8), vernederd in 't gewaad der grove dierlijkheid 9), verdierlijkt in het bloed, dat door zijne aders vloeit 10).

De schrikkelijke beteekenis van den val stond voor Bilderdijk vast, omdat hij in de eerste zonde geen zwakheid zag, maar moedwil, hoogmoed, ijdelen trots 11). Het was het gruwelmonster, de trots, die engelen beide en menschen van uit hun

1) Dichtw. XV 184v. 2) Dichtvv. V 138. VI 27. 3) Opstellen I 121—136. Brieven III 89. 4) Dichtw. V 137. XII 232. XIII 86. 5) Dichtw. V 169. 6; Dichtw. V 478. 7) Dichtw. V 127. 8) Dichtw. VII 109. 9) Dichtw. VII lil. 10) Dichtw. VII122. 11) Dichtw. V 479.

Sluiten