Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loos gebleven ware; en dus is 't dat de voortteling Gods wil moet zijn en ons plicht is. Dus zijn wij met onze medestamgenooten in der daad één, en, omdat wij één niet hen zijn, gevoelen wij met hen, moeten wij hen en onszei ven éénzelvig beminnen, en ligt dit in onze natuur, dit is onze behoefte, en eerste, dringendste behoefte, 't Is alleen de algeheele verslaafdheid aan 't lichaam (hetgeen wij in perken besloten gevoelen) dat ons voor onszelven, afgescheiden gevoelen doet, en daardoor het zedelijke beginsel versmoort, dat de menschheid gelukkig moet maken en Gode welbehaaglijk 1).

Om die eenheid van het menschelijk geslacht is Adams zonde de onze. Wij waren in hem begrepen, hebben zeiven in hem gezondigd, en hebben dus ook deel aan zijne schuld en straf. De ontwikkeling der voortteling is eene vermenigvuldiging van den straflijdende maar ook van den schuldige. De eenheid des menschengeslachts is als de eenzelvigheid eens boomstams wijd in takken uitgebreid. De vrucht is niets dan de uitgestorte sap, verhardende in de lucht.

Ja, één zijn we allen. Ja, één Adam, stervelingen';

Wij, die als spranken uit zijn bloedfontein ontspringen,

Wij zijn uit hem, met hem eenzelvig, met hem één ;

Zijn schuld is de onze, en ons zijn vloek en doem gemeen. 2)

Maar diezelfde wet, die in Adam allen schuldig stelt, rechtvaardigt en heiligt ook al degenen, die in Christus Jezus zijn. Adams schuld is de onze, maar ook het lijden van Hem, die Adam heeft vervangen, is het onze en ons ten baat, hoe zonde en doemschuld prangen 3). Op voorgang van Da Costa maakt Gorter de opmerking, dat het Christelijk geloof bij Bilderdijk in den aanvang der negentiende eeuw en vooral na zijn terugkeer in - het vaderland een breeder plaats gaat innemen in zijn leven en ook dieper wortelen slaat in zijn hart. Deze opmerking is juist, maar Gorter voegt er nog als zijn meening bij, dat met

1) Opstellen I 94—100. Vergelijk ook de uitspraak, door Kollewyn II 123 aangehaald uit een onuitgegeven brief: „Het kind is inderdaad de vader. De vader^zondigt niet of zijn geheele nageslacht zondigt in hem, want het is één met hem." Toch loochende Bilderdijk het werkverbond niet, Opstellen I 73.

2) Erfschuld: Dichtw. XIV 398. Verg. Erf'smet: Dichtw. VI 122.

3) Dichtw. XIV 399.

Sluiten