Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onze zelfheid een phaenomenon is; maar des niet tc min waarachtig in zichzelven, en in ons onmiddellijk gevoel overtuigende 1). Bilderdijk heft het weten des verstands op, om voor de zekerheid van de existentie en essentie der dingen, die in het gevoel gegeven zijn, eene plaats te bekomen.

't Verstand kent niets dan door 't bevinden, 't Is 't ontwaren Waarin de grondslag ligt van denken en verklaren,

En dit ontwaren hangt aan d' aart van uw bestaan. 2)

Het hart is derhalve het beginsel van het ware kennen. Al ons kennen gaat van dezen wortel uit 3). Geheel ten onrechte meende Locke, dat wij al onze denkbeelden door waarneming verkrijgen ; dan zou alles wat niet zintuiglijk is, buiten onzen kring gesloten worden en zou het materialisme, dat toppunt van dwaasheid, alleen wijs, alleen waar, alleen menschelijk zijn 4). Maar veeleer is het tegendeel waar, niet van buiten, maar van binnen krijgen wij onze kennis 5). Al onze vaste overtuigingen, onze beginselen, onze zekerheid aangaande het bestaan en het wezen der dingen rusten in ons hart.

Geheel ons zielsbedryf, in aardsch en geestlijk woelen,

Hangt aan 't gevoel van 't hart, en draait om deze spil. 6)

Door dat hart staan wij niet alle dingen, met stoffelijke en geestelijke wereld, met God zeiven in gemeenschap en verband. De afhankelijkheid, die daarin met ons innigst zelfgevoel gegeven is, nemen wij ook buiten onszelven, en door geheel de schepping in alles waar 7). In dat hart staan, vóór alle waarneming en redeneering, het bestaan der dingen, hunne onderlinge betrekkingen, ons eigen zijn, de geestelijkheid en onsterfelijkheid deiziel, onwrikbaar voor ons vast 8). In dat hart gevoelen wij de gemeenschap met en zijn dus overtuigd van het bestaan eener wereld van geesten, van engelen en zaligen 9). Daar woont God zelf in met zijn Geest, en plant er een onuitroeibaar besef vanzijn bestaan, zijn wezen, zijne deugden 10). Daar vestigt Hij zijne wet, plant Hij de beseffen van het ware, goede en schoone, die dus onafhankelijk van en superieur aan het verstand zijn 11), laat

1) Verhandelingen bl. 135. 2) Dichtvv. V 485. 3) Dichtw. V 486. 4) Brieven IV 177. 5) Verhandelingen bl. 168. 6) Dichtw. V 227. 7) Verhandelingen bl. 134. 8) Verhandelingen bl. 163. 9) Verhandelingen bl. 163. Dichtw. V 486 VII 116, 117. 10) Dichtw. V 119, 169, 173, 486. 11) Brieven I 283.

Sluiten