Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IX.

GODSDIENST, ZEDELIJKHEID EN RECHT.

Als Bilderdijk in het gevoel den grondslag zijner wijsbegeerte legt, ontmoet hij daarbij een ernstig bezwaar. Het hart des menschen toch is door en door bedorven, tot in zijn vezeldraden diep verkankerd en verpest 1); het is radicaal boos. Omdat de mensch de genieenschap met de hoogere geestelijke wereld verbroken heeft en voortdurend voor hare invloeden zich afsluit, 0111 onafhankelijk, 0111 zichzelf genoegzaam, 0111 zijn eigen God te wezen, wordt zijn hart door allerlei begeerlijkheden gesold en her- en derwaarts gesleurd. Aan het hart is het booze zoo eigen, dat de mensch leiding, terechtwijzing, onderhouding, ja de vermogende hand van een Hooger macht noodig heeft, om hem voor een altijd dieper wegzinkend verval te bewaren 2). Wel is het van ouds gebruikelijk geweest, om den breidel van de ongeregelde begeerten in het verstand te stellen en daaraan de voogdij en heerschappij over de begeerlijkheid van het hart op te dragen. Maar sterker bewijs voor het inenschelijk verval is haast niet denkbaar. Want daarin ligt opgesloten, dat de mensch zijne eenheid, dat is, zijne zelfheid, verloren heeft en tot een niet meer aan één hangend samenstel, maar louter verwarring en verdeeldheid geworden is, waarin de eene vatbaarheid de andere niet ondersteunt en versterkt, maar beperkt en bedwingen moet. Een onvolmaakt en vervallen werktuig, waarin des kunstenaars hand gewicht met tegenwicht, werking met tegenwerking bedwingt, omdat er de juiste maat van de werkingskracht ter gewenschte beweging ontbreekt! 3) Zulk een wet van evenwicht is voor Bilderdijk evengoed in den mensch als in de natuur onaannemelijk.

b]1) 53i0htw* VI 66- 2) Vei"handelingen 182—184. 3) Verhandelingen

Sluiten