Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daartegenover merkt Bilderdijk op, dat dit alles in zijn grondstelling valsch is. God heeft zich aan den tnensch van het oogenblik zijner wording af geopenbaard en geen tweeduizend jaren gewacht, om den Joodschen godsdienst bij den nooit bestaan hebbenden redegodsdienst te voegen. Er heeft nooit een andere dan geopenbaarde godsdienst, bestaan en er kan ook geen andere bestaan. Wel kon deze geopenbaarde godsdienst door afwijking van God verbasterd worden onder de verschillende volksstammen, maar hij is altijd blijven bestaan. En wel vond hij in het innig gevoel van den tnensch toestemming, berusting en koestering, omdat hij het hart bevredigde, maar hij is even weinig daaruit voortgesproten, als het licht, dat wij zien, uil het zien. En dit zelfde geldt van het natuurrecht en de natuurlijke moraal. Niemand onderscheidt, gelijk men dat ook bij den wil niet doet, de receptieve faculteit met het gevoel daarvan, van een kracht of actief beginsel 1).

Het is van belang, om deze onderscheiding, door Bilderdijk gemaakt, in het oog te houden, als hij later toch, gelijk wij zien zullen, van een natuurrecht en van eene natuurlijke zedekunde spreekt. Hij ontkent niet, dat er van nature in den mcnsch beseffen liggen van eene hoogere, geestelijke wereld, van God, ziel, onsterfelijkheid, van het ware, goede en schoone. Maar deze beseften dragen bij hem een tweevoudig karakter. Ten eerste zijn ze niet eerst door het verstand, door middel van bewijzen, op grond van allerlei redeneeringen verkregen, maar ze gaan aan het verstand vooraf en liggen opgesloten in het gevoel, in het hart van den mensch. En ten andere zijn ze daarom juist passief, dat wil zeggen, ze zijn te danken aan de inspiegeling Gods in ons; ze zijn niet aan onszelven te danken, maar ze ontstaan en zijn in ons, doordat God zich niet aan den mensch onbetuigd laat; ze zijn aan openbaring, aan een inwerking van God op ons te danken. Wij zijn dus eerst ontvangend, lijdelijk en kunnen eerst later met die onuitroeibare beseften in ons hart verstandelijk, denkend aan het werk gaan.

Wanneer wij nu deze inwerking Gods kinderlijk aannemen en ons hart voor de hemelsche invloeden openstellen, dan is dat eene werkzaamheid, welke Bilderdijk met den naam van gelooven of

1) Opstellen II 86.

Sluiten