Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevoelen aanduidt. Reeds bij den mensch, die de openbaring Ciods in zijn hart en in de wereld rondom zich erkent, mag deze erkentenis dien naam dragen. Maar in bijzonderen zin is het geloof toch het voorrecht van den Christen, die door een inwendig, overtuigend gevoel, van zijne roeping en aanneming, van zijne vergeving en heiliging zekerheid ontving, de toerekening van Christus' verdiensten vereenigt met zijne eigene bewustheid en nu vastelijk vertrouwt, dat hij Christus eigendom is 1). Dit geloof is daarom ook geen bloot verstandelijke overtuiging van de historische waarheid des Christendoms, maar het is eene zaak van het hart 2), eene vrucht van de werking des H. Geestes 3); het is God zelf in 't hart genadig neergezegen 4), en het gaat in zekerheid en waardij liet weten zeer verre te boven :

Gelooven ja, is meer, is eindloos meer verkwiküjk,

Dan 't geen begrijpen heet en nooit volkomen wordt. God geeft het in 't gemoed, we erkennen 't oogenbliklijk, Het is de Waarheid zelve, in volheid uitgestort. 5)

Gelukkig, roept hij daarom elders uit, dat aan gelooven, niet aan weten ons heil is verknocht. Door het weten ware voor ons geen zaligheid mogelijk, want eeuwen aan eeuwen zijn noodig, oui een zeer gering deel der verschijnselen te verklaren. Maar gelooven gebiedt God ons, en dat kan elk, want het is een toestemmen aan de waarheid, niet door het inzien van 't verband der oorzaken met de gewrochten, gelijk bij 't weten, maar door berusting in een getuigenis, in de getuigenis Gods. Gelooven, dat ook past ons. Want gelijk wij onszelven de stof, den vorm, den geest niet gaven, noch ons oog verkoren tot zien, noch ons oor tot hooren, noch der natuur haar wetten stelden, zoo ook zijn we op geestelijk en zedelijk terrein volstrekt afhankelijk, van gegeven moetende leven 6). En verstand en geloof kunnen zeer goed samengaan, als ze over en weer elkanders rechten erkennen :

Geef 't oefengraag verstand, geef ook 't Geloof zijn rechten,

Maar sla 't geen inenschlijk is het Godlijke in geen band.

Van 't voorwerp des geloofs moet geen verstand beslechten, 't Geloof ontweldigt ook zijn deel niet aan 't verstand. 7)

1) Opstellen I 9, 10. 2) Dichtw. V 171. 3) Dichtw. V 16, 186. 4) Dichtw. V 486. 5) Dichtw. VI 4. 6) Nieuwe Mengelingen I 291v. 7) Dichtw. VI 4.

Sluiten