Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op zichzelf, in het afgetrokkene, ook, ten onrechte, oneindig ; hij erkent tevens, dat het natuurrecht als recht vanzelf zedelijke verbondenheid en ook grenzen, althans de vatbaarheid daarvoor medebrengt ; het is niet noodzakelijk oneindig, maar de grens van het recht of bevoegdheid wordt bepaald door den aard van het wezen, dat die bevoegdheid bezit 1). Bovendien, het recht in subjectieven zin, dat is de bevoegdheid, moge gegrond zijn in de behoeften der menschelijke natuur; dit wil bij Bilderdijk volstrekt niet zeggen, dat de mensch zelf zijne rechten naar willekeur bepalen kan ; integendeel, die rechten zijn gebonden aan en worden genormeerd door het objectieve recht, door de „reden", dat is door de inspiegeling Gods in zijne schepselen en de bewustheid daarvan 2). Al zijn de rechten volgens Bilderdijk dan ook in het afgetrokkene oneindig, principieel en factisch zijn ze het voor hem geen enkel oogenblik. Het recht van den mensch is als zoodanig van huis uit beperkt. Die beperking wordt nu in de rechten van den mensch, naar de redeneering van Bilderdijk, aangebracht door een ander beginsel, door eene andere behoefte, welke in de natuur van den mensch aangetroffen, n.1. de behoefte aan gezelligheid, sociabilitas. Als mensch, als lichamelijk en geestelijk wezen heeft hij het recht, om te leven, zich te bewegen, zich voort te planten, te denken, te willen, te handelen enz. Maar tegelijk heeft hij ook de behoefte van gezelligheid, dat is, om met zijne inedenienschen in een verband van onderlinge mededeeling, behulpzaamheid en welwillendheid te leven en om te gaan ; de behoefte in. a. w. aan zedelijk genot, om goeddoende, menschlievend te zijn en zich in de uitoefening dezer hoedanigheden te verheugen 3).

Wel is deze behoefte der menschelijke natuur, om liefde te bewijzen, door de zonde verduisterd, miskend, verwoest. Maar desniettemin is zij nog eenigerniate in elk mensch aanwezig en dwingt hem, zijns ondanks, belang in zijn naaste te stellen, in zijn heil en onheil te deelen, ja om niet in zichzelven alleen, maar ook in zijne broederen te leven 4). Ja, gelijk er in liet lichaamlijke geene kwaal is, die niet in het zichzelf bewuste wezen gepaard gaat met den trek tot datgene, wat tot herstel der kwaal dienen moet, gelijk de

1) t. a. p. bl. 20. 2) t. a. p. bl. 54—59. 3) t. a. p. bl. 33, 36, 39. 4) t. a. p. bl. XVIIv. 9v. 51, 53.

Sluiten