Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maken als het kleed van dien stijl uit. Zij, die het beginsel der eenheid, 't welk dat der volkomenheid is, beoefend hebben, verstaan mij 1).

Dichterlijk drukte hij deze zelfde gedachten in de bekende verzen uit:

Gjj, Dichter, bezig al wat geest en kunst geheugen.

Leer 't aaklige aan het blijde, en 't sterke aan 't zachte mengen, En stem uw tonen naar het voorwerp dat gij maalt.

Dat zelfs de klank van 't vers uw denkbeeld achterhaalt.

Laat Zefir in uw zang op luchte vlerkjens zuizen, En 't kabblend nat der beek met zacht gemurmel bruizen.

Doch stort zich 't stormend nat met ziedend buldren uit, Zoo siddre uw woest muzyk van 't dondrend stroomgeluid.

Laat d' Os, in 't juk gebukt, den harden kleigrond ploegen ; Men voele in 't moede dier, en long en boezem zwoegen, En 't traag en worstlend vers ga dof en langzaam voort, Als wierd zijn logge stap op eiken plof gehoord.

De vlugge hinde vlie' door de onafzienbre dalen;

Men volge in bliksemvlucht en wete ze in te halen,

En schoeie 't luchtig vers gezwinde wieken aan!

Gelukkig, zoo de taal uw poging bij wil staan,

En geen beperkte keus van maat en lettergrepen U eeuwig in 't geklep des rijmvals meê blijft sleepen !

Bataven, kent uw spraak en heel heur overvloed:

Zijt meester van de taal, gij zijt het van 't gemoed. 2)

Door deze tucht over zijn genie werd Bilderdijk voor de excessen der romantiek bewaard. Het kléine staat bij hem met het groote, het afgeleide met het oorspronkelijke, elk deel met het geheel in verband. De vrijheid en zelfstandigheid, welke Bilderdijk opeischte voor de kunst, was daarom geen losbandigheid. Hij maakte ze vrij van het rationalisme, 0111 ze te doen wortelen in de mystiek ; hij ontbond ze van de wetten en regelen, door een nuchter verstand aan haar gesteld, 0111 ze te beter tot haar recht te laten komen overeenkomstig haar eigen natuur. Deze natuur der dichtkunst werd voor Bilderdijk door haar oorsprong bepaald, bn deze ligt niet in de zinnelijke, maar in eene andere, hoogere,

1) Citaat uit de onuitgegeven Verhandelingen over de Algemeene Wetten der Schoone Kunsten bij Van Vloten t. a. p. bl. 42.

2) Dichtw. VI 358. Nieuwe Verscheidenheden II 89—179. Verg. Busken Huet, Ned. Spectator 1860 bl. 122. Beets, Verpoozingen op letterk. gebied bl. 276—277.

Sluiten